a-Tipis: utopisch, atopisch, dystopisch
Een ding hebben de kunst en het theater van de afgelopen eeuw gemeen: met de regelmaat van de klok wilden kunstenaars de nauwe grenzen van hun instituut, museum of theater, openbreken om in het echte leven te gaan staan. ‘A-Tipis’ van het Gentse productiehuis doet dat met beide disciplines tegelijk, en zoekt daarvoor ook ongewone plaatsen op.
Het Gentse productiehuis Victoria vroeg vier beeldende kunstenaars en vier performancekunstenaars of –collectieven (hoewel de grens tussen de disciplines bij sommige deelnemers erg vaag blijft) om een ‘tipi’, een verplaatsbare, nomadische behuizing te maken. Die worden neergezet in diverse openbare plekken zoals het Oerol Festival in Terschelling, het ‘Parc de la Villette’ in Parijs of binnenkort, tijdens de Gentse Feesten, in het Keizerspark aan de Schelde. Je kan die ‘tipi’s’ overdag al bezoeken maar tegen de avond aan vinden er ook voorstellingen plaats.
Dat laatste is een goede vondst. Het toont iets waar je gewoonlijk niet op let: veel beeldende kunst, in het bijzonder conceptuele kunst in de ruime zin van het woord, heeft een uitgesproken theatraal kantje. Het is kunst die, om te kunnen ‘werken’ de aanwezigheid van de kijker uitdrukkelijk veronderstelt. Met andere woorden, het is kunst die de kijker ‘ensceneert’, net zoals theater dat doet. De aanwezigheid van acteurs maakt dat plots zonneklaar; zo ontstaat er prikkelend grensverkeer tussen beide disciplines.
Een voorbeeld is de installatie van theatercollectief ‘Grand Magasin. Het bestaat uit een gewone tent en, op een dertigtal meter afstand, een exacte replica daarvan op schaal 2:1, voorzien van een panoramisch venster. Vanuit de grote tent zie je de gewone. Meteen blijkt hoe een tent je kijk op de wereld kadert. De performance die het collectief hier brengt is een leuk staaltje van hun hilarische, absurd-kritische praktijk. Ze zetten, aan de hand van het proefmodel van de tent, uiteen hoe zelfs de meest chaotische werkelijkheid een verborgen orde heeft. Hoe waanzinniger hun demonstratie wordt, hoe beter je beseft hoezeer je de werkelijkheid inderdaad slechts kan vatten door er een (absurde) orde aan op te leggen. Het idyllisch tentje ziet er van de weeromstuit niet zo idyllisch meer uit.
Minder geslaagd is de combinatie tussen ‘Fecatotaal’ van Joep Van Lieshout en de performance van acteurs Mia Andresen en Eric Kempeneers. Van Lieshouts installatie bestaat uit een oplegger vol toiletpotten en toestellen die de uitwerpselen vervolgens recycleren. Ecologie, de utopie van totale autonomie en anale sexuele obsessies worden hier met veel punk-humor geënsceneerd. De performance doet echter nauwelijks meer dan dat gegeven verdubbelen of duiden en vernauwt zo de gelaagdheid van het werk eerder dan ze te verrijken.
Een woordspelletje als ‘a-tipis’ verleidt natuurlijk meteen tot nieuwe woordspelletjes: met een beetje goede wil lees je er ook het woord‘utopisch’ en zijn tegenhangers ‘a-topisch’ en ‘dystopisch’ in. De installaties van ‘Grand Magasin’ en Van Lieshout spelen al impliciet met die begrippenparen. Bij de andere werken vormen ze een heuse rode draad. Wouter Decortes ‘Dew Drop’ is een metalen structuur op die als woonst kan dienen. Ze kan ook als een paraplu opgevouwen worden om nieuwe oorden op te zoeken. Deze vernuftige constructie doet echter niet veel meer dan een utopie uit de sixties reanimeren. Venijniger is ‘Come in and see / There is nothing to see’ van Aarich Jespers. Een tentje met suppoost, lijkt je uit te nodigen om de wereld van de kunstenaar binnen te betreden. Elke keer als je de rits aanraakt klapt het tentje echter in elkaar. Het is meteen een kritische kanttekening bij het streven van ‘A-tipis’ om mensen in een nieuwe context ‘iets’ te laten ervaren. Het omgekantelde huis van Sophie Nys doet iets gelijkaardigs. De replica van een luchthaven van David Neyrinck tenslotte is een nogal demonstratieve representatie van de ‘a-topie’ van luchthavens: plekken waar je tegelijk ergens en nergens bent.
Het interessantste, meest hedendaagse werk van ‘A-tipis’ zijn twee installaties van performance-collectieven. Met haast antropologische belangstelling onderzoeken ze hoe we omgaan met een ruimtelijke en maatschappelijke context die niet meer in klassieke schema’s te vatten valt. Tijdens hun avondperformance sprokkelen de leden van Gob Squad getuigenissen van bezoekers en passanten over hun ideale plek. Die worden in ‘Welcome to our world, built with you in mind’ omgezet in klank- en beelddocumenten, maar ook in kleine objecten die, als kinderspeelgoed, in een bassin te water gelaten worden.Tijdens de dag kan je dan die ‘eilandjes’, met zijn allen een alternatieve, utopische wereldkaart, gaan monsteren. En ook dan is voor de kijker een rol weggelegd: hij kan zelf de context van die eilandjes op allerlei manieren wijzigen. De groep ‘Private Thoughts in Public Places’ bouwde voor ‘Route planner’ een replica van een wegrestaurant. Je kan er tijdens een vernuftige montage van beelden van het leven ‘on the road’ luisteren naar routebeschrijvingen van GPS-systemen. Die worden doorsneden door teksten, en tijdens de avondlijke performances door kleine optredens. Ze vormen een letterlijke weergave van vijftig interviews met mensen langs de weg. De krampachtige manier waarop velen van hen controle willen houden over de onbestendigheden van het leven (op de baan of niet) weerspiegelt of weerspreekt op een fascinerende manier de informatie die uit de beeldreeksen naar boven drijft. Het toont hoe onverschillig nieuwe netwerkruimtes zoals autostrades zijn voor elke poging om ze mentaal te bevatten.