Fantomen van de Nederlandse danskritiek

Dans. Waar gaat het over? Weet u het al?

TM 1 Nov 2003Dutch

item doc

Contextual note
Deze tekst is een reactie op de tekst ‘Fantomen van de danskritiek’ van Jeroen Peeters. De tekst van Peeters en andere reacties hierop kunnen onder het keyword ‘fantomen’ op SARMA worden geraadpleegd.

“The basic situation as reality is profane. Bertha is just a moving body inside the reality of the performance space. We see she’s a woman, tall, slim, curly hair, she moves in a way we agree to call dance. The basic perception system says: why the hell is she dancing? Does she intend to give us pleasure? Does her dancing mean something? Can I decode what she means or is it enough to stay with the attraction of her talented performance?”

Bovenstaand citaat, uit de voorstelling Double Points: Bertha – the bermudez triangle van Emio Greco | PC, stelt vragen naar de betekenis van dans en is onderdeel van een zelfreflexieve dansvoorstelling. Double Points: Bertha – the bermudez triangle is dans over dans, over het maken van dans en het kijken ernaar, over de vraag ‘waar het nu eigenlijk over gaat’ in dans en waar die betekenis vandaan komt, over de rol van de danser als betekenismaker maar ook als projectiescherm voor de betekenissen, verwachtingen en verlangens die anderen op haar loslaten. De voorstelling is daarmee een theatrale en gedanste inmenging in de debattenreeks Dance & Discourse, eveneens georganiseerd door Emio Greco en Pieter C. Scholten. Dit debat is het afgelopen jaar met vernieuwde hevigheid ingezet, ook bijvoorbeeld door Krisztina de Châtel met een driedaags symposium en Anouk van Dijk met een serie lezingen gekoppeld aan haar voorstellingen. Hieronder volgt een bewerking van een van de lezingen die ik in dat kader heb gehouden.

Wezensvreemd

In zijn bijdrage aan de discussie rond Dance & Discourse (Salon 1, zie TM mei 2003) wijst Jeroen Peeters op de onvermijdelijke kloof die gaapt tussen kijken en schrijven. Dit is een probleem dat iedereen die wel eens heeft geprobeerd zijn of haar ervaringen bij een voorstelling te verwoorden zal herkennen, de criticus voorop. Een beschrijving geeft immers nooit precies weer wat er te zien was. Woorden schieten per definitie te kort. Maar hoe problematisch is dat nu eigenlijk? Verwachten we nu werkelijk dat een recensie een één op één weergave van een voorstelling geeft? En is dat nu de reden voor zulke verwoede discussie?

‘Discours’ betekent volgens de Dikke Van Dale gesprek, rede, conversatie. Sinds Foucault wordt het begrip gebruikt om te verwijzen naar de specifieke manieren van uitdrukken van bepaalde specialismen, zoals het discours van de medische wetenschap, of het discours over dans. Foucault is ook degene die erop gewezen heeft dat discours meer inhoudt dan woorden alleen. Woorden zijn onlosmakelijk verbonden met de praktijken die ze pretenderen slechts te beschrijven. Woorden geven zelf vorm aan deze praktijken en hoe deze beoordeeld of veroordeeld worden. Foucault maakte daarmee de weg vrij voor een begrip van discours als het geheel van de betekenisgevende praktijken waardoorheen we de wereld ervaren en betekenis geven. Discours is niet alleen beschrijvend, maar ook wereldscheppend. Nieuwe beschrijvingen maken nieuw begrip mogelijk, en nieuwe manieren om ons te verhouden tot datgene waarmee we worden geconfronteerd. Zo bezien zijn dans en discours geen tegenover elkaar staande entiteiten en is het probleem van Dance & Discourse niet de kloof tussen dans en de woorden die worden gebruikt om dans te beschrijven. Het ‘probleem’ is juist dat wat dans ‘in wezen’ is, onlosmakelijk verbonden is met de woorden die gebruikt worden om haar te beschrijven. Zelfs in het geval dat dans beschreven wordt als iets dat wezensvreemd is aan woorden is dat zo. Ook die betekenis is product van het discours over dans.

Anderzijds betekent dit ook dat wat telt als een adequate beschrijving van dans niet zozeer te maken heeft met de manier waarop woorden en dans samenvallen, maar met de vooronderstellingen, verwachtingen, ideeën en verlangens ten aanzien van dans die in beschrijvingen ge(re)produceerd worden. Het is het conflict tussen verschillende in het discours besloten visies op dans dat de motor is achter de hoogoplopende discussies.

Leugens

De vraag naar waar het eigenlijk over gaat in dans is niet nieuw. Deze vraag is zelf de stuwende kracht achter veel ontwikkelingen in de dans. Toen aan het begin van de twintigste eeuw pioniers van de moderne dans zich losmaakten van de tradities van het ballet en op zoek gingen naar nieuwe vormen, ging dit samen met een veranderd idee over waar het eigenlijk over gaat in dans. Of waar het eigenlijk over zou moeten gaan. Dat heeft heel veel prachtige nieuwe dans opgeleverd, en ook veel verwarring en misverstanden. Dansmakers zijn teleurgesteld dat critici niet begrijpen waar het bij hun dans eigenlijk over gaat. En critici roepen dat die dansmakers er niets van begrepen hebben. Men is het niet met elkaar eens, zoveel is duidelijk.

“Het lichaam liegt niet,” zei Martha Graham al en pleitte daarmee voor een nieuw begrip van dans, losgemaakt van het keurslijf van verouderde technieken. Haar ideeën sluiten nauw aan bij diep in onze cultuur verankerde ideeën over het lichaam als de meer natuurlijke en universele ‘ander’ van taal en cultuur. Alhoewel we niet allemaal dezelfde taal spreken, hebben we wel wereldwijd allemaal een lichaam. Voila: zie daar onze mogelijkheid tot directe communicatie met de danser. Waar deze redenering echter aan voorbij gaat, is dat hoewel we allemaal een lichaam hebben, we niet allemaal hetzelfde lichaam hebben. En dat hoe we die verschillende lichamen ervaren diepgaand cultureel beïnvloed is. En ten slotte, dat we die invloeden niet even opzij kunnen zetten als we daar zin in hebben want het is juist dit discours dat ons maakt tot wie we zijn.

Het lichaam liegt niet, maar wat vertelt het ons eigenlijk? En hoe spreekt dat moderne dansende lichaam ons dan aan? Een van de eersten die geprobeerd heeft daarvoor een samenhangend theoretisch kader te ontwerpen is John Martin, dansrecensent en fervent liefhebber van het werk van Graham. Zijn uitleg is dan ook nauw verbonden met Grahams ambities en overtuigingen. Volgens Martin ligt de betekenis van dans in de manier waarop het ons in contact kan brengen met onze universele emotionele roots. Door eeuwen van beschaving zijn we losgeraakt van een belangrijk deel van onze ervaringswereld. Dans, volgens Martin, is een manier om daar weer mee in contact te komen. Volgens Martin speelt ons lichaam een belangrijke rol bij het kijken naar dans. Bij dat kijken dupliceren we als het ware de bewegingen van de danser die we zien. Dat gaat niet zo ver dat we echt gaan dansen. We hebben immers geleerd om in het theater te blijven zitten in onze stoel. Maar er worden wel allerlei signalen doorgegeven in de zenuwen die onze spieren aansturen. Die signalen op hun beurt roepen de oeroude emoties op die met die bewegingen verbonden zijn.

Volgens Martin beweeg je als kijker mee, word je door dans letterlijk bewogen en fysiek aangesproken. Je kunt de opwinding, of emoties als pijn en verdriet, in je eigen lichaam voelen. Ondanks dat dit bewogen worden voor velen een zeer herkenbare ervaring is, is Martins uitleg van de betekenis van dans hem ook op veel kritiek komen te staan. En terecht. Want die ervaring van waaruit hij begint mag wel heel herkenbaar zijn, zijn uitleg van de betekenis van die ervaring in termen van universele emoties heeft problematische kanten. Deze uitleg laat weinig ruimte voor verschillen. We mogen dan wel meebewegen met de danser die we zien, maar het is wat anders om te veronderstellen dat we dan dus hetzelfde voelen als die danser. Heel opvallend bijvoorbeeld is dat John Martin juist Martha Graham, een blanke Amerikaanse en zijn tijdgenoot, tot beste vertolker van het universele uitroept, terwijl hij tegelijkertijd zwarte en Indiaanse dansers veroordeelt als “too specific to represent the universal”. Niet alleen geeft Martin met zijn theorie over waar het nu eigenlijk over gaat bij dans een uitleg die mooi overeenstemt met Grahams ambities, zijn perspectief op het universele draagt ook op andere punten een duidelijk cultureel en historisch specifieke visie in zich. En die visie helpt hem om het genoegen dat hij aan Grahams dans beleeft uit te leggen in termen van een vanzelfsprekend, want universeel, gegeven.

Of we nu, zoals John Martin, in dans een directe toegang tot universele emoties zien of dat we bijvoorbeeld, zoals Eva van Schaik in het vorige nummer van TM, in navolging van Forsythe en anderen zitten te kijken naar de danser als een denkend lichaam, onze blik wordt onvermijdelijk gestuurd door onze ervaringen, door wat we weten, waar we vandaan komen, wie we zijn, en door onze visie op dans. Het is juist vanuit deze (vaak impliciete en deels onbewuste) visie op de wereld, en op dans, dat we in die wereld, of in dans, dingen kunnen ontdekken. Die visie hoeft ons niet in de weg te zitten, integendeel. Die visie is onvermijdelijk deel van waarneming en zingeving, en des te meer in een specialistische aangelegenheid als hedendaagse dans.

Theo & Thea

Hoezeer hedendaagse dans een getrainde blik veronderstelt, werd mooi aan de orde gesteld in het verslag van het ‘Spring Sprong festival’ dat Arjan Ederveen en Tosca Niterink in 1994 lieten zien als onderdeel van hun destijds populaire tv-programma Kreatief met kurk. In sneltreinvaart werd de kijker geïntroduceerd in het werk van sterren uit de danswereld zoals ‘Annie de Kleere Kistenmaker’, ‘Retzina Baklava’ en ‘Trees Broeckhoest’. De onderliggende (impliciete) vraag was duidelijk. Het was dezelfde vraag die in hun andere populaire programma - Theo& Thea – keer op keer expliciet werd gesteld: ‘Waar gaat het eigenlijk over? Weten jullie het al?’

Ederveen en Niterinks commentaar op de hedendaagse dans was duidelijk ironisch bedoeld en van het soort ‘Picasso? Dat doet mijn zoontje van zes veel beter’. Maar als hun fictionele documentaire één ding duidelijk maakte is het dat de betekenis van hedendaagse dans geen vanzelfsprekend gegeven is. Kijken naar dans is geen zaak van een onbevangen blik. De “basic situation” mag dan, om met het bovenstaande citaat uit Double Points: Bertha – the bermudez triangle te spreken, “profane” zijn, de manier waarop we ernaar kijken is dat niet. Het vraagt om een behoorlijk getrainde blik om te kunnen zien waar het hier eigenlijk om gaat, en om antwoord te kunnen geven op de vragen: “Why the hell is she dancing? Does she intend to give us pleasure? Does her dancing means something? Can I decode what she means or is it enough to stay with the attraction of her talented performance?” Hoog tijd dus om dat heilige huisje van de onbevangen blik omver te werpen.

Het zou een scriptie of dissertatie waard zijn om eens uit te zoeken hoe de beschrijvingen van en de oordelen over bepaalde dansvoorstellingen te relateren zijn aan verschillende ontwikkelingen en stromingen binnen de dans. Een eerste aanzet hiertoe is gedaan door Nienke Tjallingii in haar scriptie over het discours rond Springdance waarop zij op 11 november aanstaande afstudeert aan de opleiding Theaterwetenschap in Amsterdam. Wat een dergelijk onderzoek naar boven kan halen is niet het uiteindelijke definitieve antwoord op de vraag waar het nu werkelijk over gaat in dans, en ook niet welke criticus nu eigenlijk gelijk heeft. Wat het wel kan verduidelijken is de relatie tussen enerzijds wat de criticus gezien heeft en hoe hij of zij daarover oordeelt, en anderzijds welke verschillende ideeën de ronde doen over waar het nu eigenlijk over gaat in dans. Een dergelijke analyse kan een bijdrage leveren aan de discussie over Dance & Discourse die voorbijgaat aan het verdedigen van het eigen gelijk in wat af en toe begint te lijken op een heuse loopgravenoorlog, of een wedstrijd Nederland-België.

Voorzichtigheid

Ariejan Korteweg vergeleek ooit een dansvoorstelling met een ontmoeting op een schiereiland. Makers en publiek reizen elk op hun eigen manier naar de ontmoetingsplek toe. Het publiek komt over zee. De makers komen via een lange weg over land. Hoe makers op de ontmoetingsplek zullen aankomen – en daarmee wat ze daar zullen doen, wat er voor het publiek te zien zal zijn - is het product van hun manier van reizen, wie of wat ze onderweg tegenkomen, van de route die ze gevolgd hebben en de omwegen die ze hebben gemaakt, waar ze hebben vastgezeten en wat ze onderweg hebben ontdekt.

Maar de voorstelling is niet het eindpunt. Het kijken naar de voorstelling is een voortzetting van dit proces. Het is in dit kijken dat de voorstelling zijn betekenis krijgt. Betekenis krijgt zijn beslag als gevolg van de voorstelling en in interactie met een kijker. Daarom is dat idee van John Martin om de bron van waar het in dans over gaat te leggen in onze reacties op wat we zien, misschien zo gek nog niet. Zolang we onze eigen reacties maar niet verwarren met universele waarheden of met het direct aanvoelen van wat de maker heeft bedoeld. En zolang we in staat zijn onze eigen reactie te begrijpen als het product van een bepaalde tijd en plaats, het product van een bepaalde visie op wat er te zien is. Die voorzichtigheid in acht genomen, vormt denken over de eigen reactie een prima beginpunt voor het denken over waar het nu eigenlijk over zou kunnen gaan in dans. De eigen reactie kan een beginpunt zijn voor een benadering die recht doet aan de vele verschillende antwoorden die inmiddels op die vraag zijn gegeven, en nog steeds gegeven worden. Een benadering ook die recht doet aan het feit dat de betekenis van hedendaagse dans tot stand komt tegen de achtergrond van een geschiedenis van vragen en antwoorden.

En, voor alle duidelijkheid, dit betekent niet dat anything goes. Waar het om gaat is dat de manier waarop een dansvoorstelling een kijker aanspreekt altijd begrepen dient te worden in relatie tot een context van opvattingen en ervaringen die zowel maak- en kijkgedrag sturen. Dat is subjectief, maar bepaald niet uitsluitend individueel. We zijn minder uniek dan we graag zouden denken. Kritische vragen over de manier waarop je je als kijker door een voorstelling aangesproken voelt, kunnen helpen die context bloot te leggen en te begrijpen hoe en waarom een voorstelling hier en nu betekent wat hij betekent, en voor wie.

Met dank aan Anouk van Dijk Dance Company, Dansgroep Krisztina de Châtel en Emio Greco | PC.

Voor wie meer wil lezen:
John Martin, Introduction to the Dance (1939)
Ariejan Korteweg, Uitgedraaid. Elf stukken over dans (1992)