Spiegels van allochtone choreografen

Hush Hush Hush creëert platform voor jonge vrouwelijke choreografen

De Morgen 20 Nov 2003Dutch

item doc

Hiphop, videoclips en jongerencultuur zijn een sinds enkele jaren populair in hedendaagse dans om kwesties van globalisering en multiculturalisme te onderzoeken. Het gezelschap Hush Hush Hush zweert zo bij een kruisbestuiving van verschillende dans- en muziekstijlen, en een smeltkroes van nationaliteiten om daar antwoorden op te formuleren. Een structurele subsidie laat Hush Hush Hush nu ook toe om een platform op te zetten voor uitwisseling tussen jonge choreografen met diverse culturele achtergrond. Dat is alvast een goede aanzet om op termijn productie, presentatie en kunsteducatie meer op elkaar af te stemmen, en zo de inbedding van dit soort werk verder uit te bouwen. In cultuurcentrum Berchem werd verscheiden werk van drie jonge vrouwelijke choreografen gepresenteerd. Gezien hun beperkte ervaring was de spoeling nogal dun, al vormden vragen omtrent hun culturele identiteit een haast onvermijdelijke en interessante rode draad.

In de solo Une Journée Framboise rijgt de Indisch-Vlaamse Lima Lalitha alledaagse taferelen, dromerige verhalen en energiek dansmateriaal aan elkaar, waarin behoorlijk wat spanning sluimert. Op onverwachte momenten stokt Lalitha’s verbeelding, uiteindelijk legt ze zichzelf het zwijgen op met een stuk plakband om er vervolgens een valse mond op te tekenen. Intussen bekijkt ze zichzelf in een kleine spiegel, die ook licht weerkaatst op haar gelaat. Het is een sterk beeld waarin identiteit, gespletenheid en zelfverlies zich vermengen.

Ook voordien is die verhouding tot een vreemde, heersende blik al aan de orde, maar in details: in het begin is het bijvoorbeeld een filmprojector die de scène verlicht. Welke afwezige plaatjes en fantasieën spoken er niet rond in de dans die erop volgt? Die staat immers dichter bij het oriëntalisme dat de vroegmoderne dans tekende, dan bij de populaire Bollywood-choreografieën. Enkele hiphop-elementen brengen daar nauwelijks een persoonlijk accent in aan. Vreemd hoe de dansgeschiedenis de spreekruimte van Lalitha lijkt te versmallen, en daarin een breukvlak vormt voor haar persoonlijke verhalen.

De Turkse Candas Bas is bekend als choreografe van het winnende songfestivalnummer Everyway that I can (2003) van Sertab Erener. In Miroir bouwt ze met zo’n populaire danstaal een choreografie op rond spiegelmotieven en herhaling, dat alles op poppy Turkse elektro. De structuur met solo’s, duo’s en een trio is erg braaf en klassiek, wat meer in het oog springt is Bas’ bewuste keuze voor een radicaal formalisme, ondanks de populaire oorsprong van haar materiaal. ‘Zacht verzet’, zo noemt Bas het: de zwijgzaamheid van een autonome creatie is op zich een politieke strategie, die ruimte voor de verbeelding opeist.

Voor de gelegenheid werd ook de Turks-Duitse Suna Cöncü uitgenodigd met Sofya, choreografisch het meest uitgebalanceerde werk van de avond. Aansluitend bij het Duitse expressionisme, slaat Cöncü culturele spanningen neer in vormcontrasten. Ze slingert heen en weer tussen folklore en hedendaagse dans, of tracht zichzelf te hervinden in centrifugale motieven. Haar spiegel is een wateroppervlak, waarin een zelfbeeld dicht bij verdrinking kan staan, of het hoofd koel houdt door een frisse duik.