Reservoir: Eric Sleichim (NED)

Kaaitheater bulletin Jan 2008Dutch

item doc

In deze rubriek duiken wij in het ‘reservoir’ van een kunstenaar: de biblio-, video- en discotheek, het archief, de ervaringen waaruit hij/zij put bij het creëren. Ter gelegenheid van 30 jaar Kaaitheater laten wij dit seizoen kunstenaars aan het woord die al een lange carrière achter zich hebben en van wie wij vaak werk hebben getoond.

 

Mijn enige allesomvattende obsessie is: met klank bezig zijn. Onder impuls van een vriendje ben ik als negenjarige gitaar beginnen spelen, eerst akoestisch, daarna elektrisch. Jimi Hendrix was onze icoon. Onze eerste rockgroep – twee elektrische gitaren en een drum – heette Purple Haze, naar het gelijknamige nummer van Hendrix. Vanuit mijn eigen gedrevenheid ben ik snel met die gitaar beginnen experimenteren: de snaren anders stemmen, allerlei pedalen gebruiken… In de discotheek van mijn ouders stond vnl. klassieke muziek, niks hedendaags, vooral orkestrale symfonische werken. Mijn grootmoeder had een boekenwinkel waar ik meerdere keren per week enkele uren doorbracht: om te lezen, om in werken over beeldende kunst te kijken… Ik heb aan de VUB rechten gestudeerd maar tijdens mijn studies volgde ik muziekschool, speelde in rockgroepen, ging veel naar jazzconcerten en naar al wat zich als nieuwe muziek aandiende. De maandelijkse elektronische concerten van Godfried Willem Raes en Logos in het Paleis voor Schone Kunsten hebben toen grote indruk op mij gemaakt. Door de jazz ben ik bij de saxofoon beland, een obsessionele liefde die mij nooit meer heeft losgelaten. In de cursus moderne literatuur aan de universiteit heb ik kennis gemaakt met het dadaïsme en het surrealisme. Daar ging een wereld open: André Breton, Paul Eluard… en al hun verbindingen met de beeldende kunst van Duchamp, Cabaret Voltaire… Later zou de Japanse literatuur van bijvoorbeeld Junichiro Tanizaki en Yasunari Kawabata mij erg aantrekken, o.a. vanwege de sterk ritualistische inslag.

De grootste openbaring in mijn leven was echter de ontdekking van de muziek als taal toen ik aan het Conservatorium ging studeren. Ik ging beseffen wat contrapunt betekent, en harmonie en compositorische structuur. Op de traditionele compositorische structuren van de jazz was ik vrij snel uitgekeken, hoewel niet iedereen die traditionele thema’s speelde. Ik denk dan aan een componist en dirigent als Butch Morris, aan de vrijheid waarmee pianist Cecil Taylor omging met structuren of de ongelooflijke complexiteit van een Anthony Braxton. Gelukkig heb ik al gauw de hedendaagse muziek ontdekt en heb ik de taal van Ligeti, Webern, Berio en Xenakis leren kennen. Die nieuwe taal was voor mij een openbaring. Alsof je in een bibliotheek een deur opentrekt en terechtkomt in een kamer die je niet kende. Alsof je een nieuwe beschaving betreedt.

Naast het vriendje dat mij op negenjarige leeftijd gitaar leerde spelen was de belangrijkste ontmoeting in mijn parcours die met de muzikanten met wie ik samen Maximalist! heb opgericht. Het ‘dogma’ van die groep was haar antidogmatisme. Met Walter Hus, Thierry De Mey en Peter Vermeersch luisterden wij samen zowel naar Prince en Jimi Hendrix als naar Monteverdi en Messiaen of konden we hele nachten door praten over Le marteau sans maître van Pierre Boulez. Met die eerste vier leden van Maximalist! hebben wij de muziek van Rosas danst Rosas opgenomen. Via die opname kwam ik in contact met Anne Teresa De Keersmaeker. In die periode (begin jaren 80) ontmoette ik Jan Fabre die repeteerde in een achterhuis van de Stalker, een club in Schaarbeek. In die tijd ben ik dan in dat Kaaitheater-vivarium terechtgekomen en heb ik de Epigonen (het latere Needcompany), Josse De Pauw en Hugo De Greef leren kennen. Een andere belangrijke ontmoeting had ik in Gent. Bij een concert in het museum voor hedendaagse kunst heb ik kennisgemaakt met Jan Hoet. Ik ben toen letterlijk verdwaald in dat museum en raakte gefascineerd door de klank in die grote rotondes.

Jan Hoet voelt dit soort artistieke fascinaties bij iemand onmiddellijk aan. Maandenlang mocht ik daar op maandag – de sluitingsdag van het museum – in mijn eentje met klanken komen experimenteren. Op een winteravond kreeg ik het gevoel dat iemand meeluisterde. De man die drie uur lang in het donker had zitten luisteren bleek de Canadese beeldhouwer Royden Rabinowitch te zijn. Royden was op een heel wiskundige manier met ruimte bezig: hij probeerde daarin een andere geometrische logica te ontdekken dan die van de axioma’s van de euclidische meetkunde. Die ontmoeting heeft tot een jarenlange samenwerking geleid. Jan Hoet bracht mij in contact met het werk van Joseph Beuys. Zowel Beuys als Duchamp liggen aan de basis van het ontstaan én van de naam van het BL!NDMAN kwartet in 1987. The Blindman was de titel van een tijdschrift dat Duchamp in 1917 in New York uitgaf en waarin hij de ‘dada-idee’ formuleerde van een blinde gids die het publiek doorheen een tentoonstelling leidt. Van Joseph Beuys had ik ooit een prachtige performance op video gezien die als titel droeg Wie man dem toten Hasen die Bilder erklärt. Beuys zat op een stoel met een opgezette haas in zijn armen, heel intiem. Het hoofd van Beuys was helemaal verguld. Zijn ogen waren gesloten: ook hier die idee van een niet-ziende, een blinde die aan een ander vertelt hoe de wereld eruitziet, wat de waarheid is.

De iconen die mij de laatste tijd erg inspireren zijn kunstenaars met tragische lotsbestemmingen. Daarrond maak ik een muziektheatertrilogie. Het eerste en het tweede deel zijn al klaar en focussen respectievelijk op de Franse auteur Antonin Artaud en de Italiaanse cineast Pier Paolo Pasolini. Artaud boeide mij al een hele tijd voor ik Man in Tribulation maakte. Pasolini kende ik vanuit mijn humanioratijd, maar dan vnl. van zijn erotische films, zoals Decamerone en Canterbury Tales. In 1977 zag ik Salo of de 120 dagen van Sodom. Ik wist niet wat ik meemaakte. Ik werd er letterlijk ziek van maar ben wel blijven kijken. Alleen bij de laatste scène heb ik mijn ogen gesloten. Ik voelde mij kwaad, wist niet hoe ik die materie moest hanteren. Pas in 2004 heb ik de dvd gekocht en ben ik aan Intra Muros begonnen. Al die jaren is die film in mij blijven sluimeren.