Reservoir: Guy Cassiers (NED)

Kaaitheater bulletin Nov 2007Dutch

item doc

In deze rubriek duiken wij in het ‘reservoir’ van een kunstenaar: de biblio-, video- en discotheek, het archief, de ervaringen waaruit hij/zij put bij het creëren. Ter gelegenheid van 30 jaar Kaaitheater laten wij dit seizoen kunstenaars aan het woord die al een lange carrière achter zich hebben en van wie wij vaak werk hebben getoond. In 1993 creëerde Guy Cassiers in de Kaaitheaterstudio’s Het liegen in ontbinding; in december 2007 toont hij in de grote Kaaitheaterzaal Wolfskers, een productie van het Toneelhuis waarvan hij artistiek leider is.

 

Hoe belangrijk plastische kunst of muziek ook zijn, taal is mij toch het meest dierbare: dat is wat een mens tot mens maakt. Ik ben in het theater terechtgekomen omdat ik zelf niet zo goed kan verwoorden wat mij bezighoudt. In het theater kan ik de woorden van iemand anders hanteren, kan ik kracht putten uit de taal en vanuit andere disciplines proberen die taal zo goed mogelijk te begrijpen, die taal onderzoeken samen met andere mensen naast mij. Ik ontdek wat ik van de wereld vind doorheen de ogen van anderen: ik voel nog steeds een zekere gêne om in woorden te zeggen hoe ik zelf vind dat de wereld in mekaar zit. Leren spreken, mijn eigen taal proberen vinden. Daarom is Kaspar van Peter Handke mij zo dierbaar. Ik heb die tekst ook zelf gespeeld. In het begin van mijn carrière was ik veel met Duitse literatuur bezig. Met die spreekstukken van Handke of met een ‘Bildungsroman’ zoals Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge van Rilke kon ik mij identificeren. Of met het werk van Thomas Mann van wie ik de novelle Tristan ensceneerde. Ik werd aangetrokken door die periode van het fin de siècle net voor de Eerste Wereldoorlog. Met A la recherche du temps perdu van Proust ben ik via een omweg weer in die tijd terechtgekomen, maar dit keer binnen de Franse literatuur. Die periode lijkt mij een scharniermoment in de westerse cultuur: het onheil stond voor de deur. Deze schrijvers beseften: nu houdt alles op, nu moet alles herdacht worden. Ze verheerlijkten het verleden en wisten tegelijkertijd dat een volledige herbronning nodig was.

Soms vind ik houvast in citaten van filosofen als Wittgenstein of Sloterdijk. Wetenschappers hebben een grote impact (gehad) op mijn werk, mensen die proberen de wetenschap te verbreden, die met een ongelooflijke creativiteit op zoek gaan naar wat er nog niet is, naar hoe de mens in elkaar zit. De Russische neuroloog Alexander Lurija of Oliver Sacks, hoe zij zonder dwang, met veel creativiteit en respect de mogelijkheden van een individu trachten te herscheppen. The Art of Memory van de Britse historica Frances Yates heeft mij inzicht gegeven in de geschiedenis van het geheugen, in de evolutie van onze hersenen, in de relatie tussen taal en geschriften, tussen kunst en wetenschap. Voor het bestaan van de boekdrukkunst was de mens verplicht zijn hersenen te trainen om informatie te vergaren en bij te houden. De kunst heeft daarin een essentiële rol gespeeld. In de Griekse tijd studeerde men door rond te lopen in de stad en zo tal van verhalen te memoriseren. Dat is toch een fantastisch beeld! Mensen die in de stilte van de nacht in de stad rondlopen en aan de hand van de architectuur en de gebouwen verhalen bijhouden. Vandaag trainen we dat soort capaciteiten tot memoriseren niet meer omdat we het niet meer nodig hebben die kennis op te slaan. Dat zit nu in onze computers.

Het werk van de Russische cineast Andrej Tarkovsky betekent zeer veel voor mij, zowel zijn films als De Verzegelde Tijd, een filosofische essay over zijn manier van creëren en over het belang van kunst en de kunstenaar in de maatschappij. Het religieuze aspect daarvan interesseert mij minder maar zijn gedachten over kunst en tijd – tijd in al zijn gedaanten – zijn voor mij van onschatbare waarde. Zijn film Stalker heeft mij indertijd als student compleet overhoop gehaald, zowel door zijn inhoud als door zijn vorm. Het gaat over een wetenschapper, een schrijver en hun gids die zich in een onbestemd gebied begeven. Alle drie proberen zij de wereld te verbeteren maar ze beslissen uiteindelijk dat ze daar zelf niet toe in staat zijn. Uit die fatalistische conclusie creëert Tarkovsky door de enorme poëtische zeggingskracht van die film eigenlijk het tegenovergestelde antwoord, o.a. door dat beeld op het einde: een kindje zonder armen of benen laat een glas op de tafel trillen en op de grond vallen puur door ernaar te kijken. In die film speelt hij heel erg met tijd. Hij vervormt die tijd dusdanig dat het begrip tijd ophoudt te bestaan. Dat kom je bij Proust ook tegen. Hoe je vanuit het verleden dat je meedraagt een toekomstperspectief kan genereren. Zowel Proust als Tarkovsky proberen de mogelijkheden van de zintuigen maximaal aan te scherpen, niet alleen voor zichzelf maar ook bij de toeschouwers. Prousts scherpzinnigheid voor het detail helpt mij om beter te kijken en te luisteren en doet ons tegelijkertijd ook beseffen dat er geen realiteit is, dat alles op verbeelding stoelt, dat we elke seconde keuzes maken in wat we via onze zintuigen opnemen en daardoor het beeld van ‘de’ realiteit compleet sturen.

Bergman is een andere grootmeester van de film wiens werk voor mij sinds mijn studententijd heel veel betekent. Hij is ‘de taal machtig’. In vele films wordt niet zoveel gesproken –Persona b.v. gaat over het zwijgen. In latere periodes maakte hij films waarin we enkel pratende hoofden zien en nauwelijks beelden. Hij heeft zovele stadia doorlopen: een onvoorstelbaar rijk oeuvre.
Beckett wil ik vooral lezen, niet ensceneren. In Het liegen in ontbinding heb ik een tekst van hem geïntegreerd, Cascando, omdat dat toen klopte binnen het totale kader van de voorstelling. Hij zoekt zodanig het essentiële, het uitgepuurde, dat wat je daaraan wil toevoegen voor mij altijd tot teleurstelling leidt. De theaterschriftuur van hoe we op de scène een verhaal kunnen vertellen is de afgelopen twintig, dertig jaar enorm geëvolueerd. We zijn losgekomen van de idee dat we alleen maar dialogen op toneel moeten zetten, losgekomen van het trauma dat wij het mindere broertje van de film zouden zijn. Het woord ‘repertoire’ is voor mij veel breder dan de toneelliteratuur. In principe mag alles, is alles mogelijk.
Film, radio, tv hebben grote impact op mijn werk. Ik heb vroeger ook veel stripverhalen gelezen. Daarna ben ik als kind – na de sprookjes – Agatha Christie beginnen lezen. Thrillers geven mij een soort van geborgenheid. Elk boek heeft hetzelfde stramien, de wereld klopt: je zit met een probleem en dat wordt opgelost. Vandaag los ik om mij te ontspannen Sudoku-raadsels op. Al die cijfertjes perfect in een raamwerk: ook dat is een wereld die klopt. Dat is aangenaam omdat ik in mijn werk altijd bezig ben met ‘wat niet klopt’.

Ik ben altijd gefascineerd geweest door de Japanse cultuur. Ik ben er nooit geweest maar heb behoorlijk wat van hun literatuur gelezen. Er is die wederzijds problematische relatie tussen Japan en het Westen, een constant aantrekken en afstoten. Ik ben daarmee bezig (geweest) via Marguerite Duras (Hiroshima mon amour), via het werk van Tanizaki en Kawabata, via de figuur van keizer Hirohito in Wolfskers. Wat mij aantrekt in die cultuur is de tegenstelling tussen hun enerzijds voorzichtige en anderzijds heel expliciete manier van uitdrukken. Vaak gaan zij veel verder dan wat wij zouden durven zeggen of tonen. Dat is iets wat ik absoluut niet snap en daarom fascineert het mij.

Er zijn twee musici waar ik altijd weer naar teruggrijp. Bach: zowel zijn studies als zijn volumineuze werken, omdat dat zo’n heldere muziek is. Hij bestrijkt het hele palet. De andere is Miles Davis. Hij heeft alle stappen in de geschiedenis van de jazz meegemaakt. Alle invloeden die op hem afkwamen heeft hij geïntegreerd en daar toch heel sterk een eigen kleur aan gegeven. Zo’n traject van iemand die alles absorbeert is mooi om te volgen. Daar tegenover staat dan Bach met zijn consequentie van het begin tot het einde.
Er is één gebouw dat de afgelopen jaren op mij een diepe indruk heeft gemaakt. Ik heb het Joods Museum van Daniel Libeskind in Berlijn gezien toen het nog leeg was: een onbeschrijflijke ervaring. Dat lege gebouw, die stenen, die lijnen en weten hoe Libeskind tot die lijnen gekomen is: dat vertelde voor mij het hele verhaal van het joodse volk veel emotioneler dan welk ander materiaal dat zou kunnen doen.
De plek waar ik altijd weer naartoe ga is New York. Een stad die alle voor- en nadelen van ‘de stad’ in zich draagt in hun meest extreme vorm. Het is zo een mix van culturen, terwijl niemand zich die stad toeeigent, maar blij is een steentje te kunnen bijdragen tot een groter geheel. Voor mij is dat een open verruimende stad. Elk bezoek is een ontdekkingsreis, zoals je ook bepaalde boeken steeds weer opnieuw kan lezen. Onzichtbare steden van Italo Calvino bijvoorbeeld. Daarin wordt meteen duidelijk hoe relatief reizen eigenlijk is omdat eenzelfde stad voor en door iedereen die erin leeft telkens weer heel anders bekeken kan worden.