Reservoir: Frank Pay (NL)

Kaaitheater bulletin May 2007Dutch

item doc

In de rubriek Reservoir laten wij elke keer een kunstenaar aan het woord over zijn ‘reservoir’: de bibliotheek, discotheek, videotheek, het archief, de ervaringen waaruit hij put bij het creëren. Muzikant en performanceartiest Frank Pay praat over zijn persoonlijke wereld en die van zijn PONI collectief.

 

Mijn moeder, die in de modewereld werkte, luisterde veel naar muziek. Via haar leerde ik The Beatles, Pink Floyd, The Cure en Jimi Hendrix kennen, maar ook standards uit de klassieke muziek zoals de Bolero van Ravel. Ze speelde die muziek superluid terwijl ze als een snelheidsduivel over de wegen raasde met mij op de achterbank. Die muziek heeft veel bijgedragen tot mijn culturele bagage. Boeken werden er bij ons thuis niet gelezen. Wel ben ik met mijn ouders naar de eerste voorstellingen van Rosas en van Wim Vandekeybus geweest en naar films als Blue Velvet van David Lynch of naar The Kiss of the Spiderwoman.

Na twee jaar opleiding aan de Antwerpse jazzstudio kwam ik als percussionist in het Brusselse jazzmilieu terecht. Daar heb ik de hoogdagen van de jazzclub De Kaai meegemaakt. Aka Moon stond daar elke woensdag op het podium. Pierre van Dormael maakte toen nog deel uit van die groep. Zij hebben mij muzikaal beïnvloed. Mijn grote voorbeelden waren toen Steve Coleman, John Coltrane, Miles Davis, Thelonius Monk... Ik speelde ook in De Kaai met een eigen groep, Catch 22. Dat draaide vrij goed maar toch had ik het gevoel dat er ‘meer moest zijn dan dat’: ik wilde iets met theater, dans, beeldende kunst. Op zoek naar een plek waar ik met mijn drums kon oefenen, kwam ik in een groot vervallen fabriekspand in de Kogelstraat terecht: met een groepje beeldend kunstenaars (Freek Wambacq, Erik Nerinckx, Hilde Fauconnier, Luc Stallaert, Barbara Visser) hebben wij toen die ruimte en de huur gedeeld. Daar en mét hen begon ik te experimenteren met installaties en performances. Op mijn eerste pc maakte ik composities die vrij vlug hun weg vonden naar dansvoorstellingen, o.a. van Riina Saastamoinen. Mijn moeder was ondertussen naar Parijs verhuisd om er met Martin Margiela te werken: van hem heb ik veel opgestoken. Hij leerde mij o.m. Andy Warhol beter kennen: mijn eerste trigger, iets heel anders dan jazz…

In 2002 bracht ik zes maanden door in Hangar, een kunstencentrum in Barcelona. Gedurende die residentie heb ik veel geëxperimenteerd met speelgoed, met poppetjes en ander materiaal dat ik op straat vond. Ik had toen ook veel tijd om te lezen: Cees Nooteboom: Allerzielen, Rituelen, Oscar Wilde, een biografie van Marcel Duchamp…Ondertussen dacht ik na over wat ik de komende vijf jaar wou doen: performances leken mij de vorm waarin ik dans, theater en muziek kon samenbrengen. Een tijdje voordien was ik via een videoconferentie in Elsene het werk van Julie-Andrée T op het spoor gekomen: dat inspireerde mij dusdanig dat ik haar uitnodigde op de eerste auditie/workshop van wat de groep PONI zou worden: een tiendaags initiatieritueel. In Barcelona was ik voortdurend geconfronteerd geworden met ‘identiteitskwesties’, met hoe Catalanen zich tot Spanjaarden verhouden. ‘Taal, identiteit en ritueel’ werden dan ook de drie woorden waarrond we in het eerste PONI-project hebben gewerkt.

Een soort psychoanalyse

Ik koos voor de naam PONI, omdat die kort en herkenbaar is in alle talen en ook omdat het een dier is. Wellicht komt dat door de periode die ik in IJsland doorbracht: je kan daar dagen lang rondrijden zonder iets te zien behalve schapen en pony’s. IJsland is een zeer inspirerend land, vooral door de ongelooflijke gedrevenheid van de mensen die daar met kunst bezig zijn: ze zijn fucking gemotiveerd om van hun eiland af te geraken en tegelijkertijd heel chauvinistisch en solidair. Björk, de SugarCubes, Einar Orn en die hele punkscène van Reijkjavik fascineren mij.

Verder vind ik het werk van Romeo Castellucci superinteressant. Italië trekt mij sowieso aan: het eten, het drinken, de cultuur, de kleuren. Op het vlak van de beeldende kunst ben ik de laatste jaren erg onder de indruk van het werk van Matthew Barney. Castellucci en Barney zijn kunstenaars die in hun werk een open ruimte creëren die de toeschouwer zelf kan invullen. En ze gaan grensoverschrijdend te werk, de ene maakt beeldend theater, de andere theatrale performance/installaties.

De belangrijkste impulsen tot mijn werk haal ik echter niet zozeer uit boeken, muziek of andere voorstellingen, maar uit mezelf. Mijn eigen ontwikkeling blijft mijn belangrijkste drijfveer, mijn ‘generator’. Pas als ik bij mezelf een interesse vaststel – bijvoorbeeld in identiteit, in erotiek, in politiek – begin ik mij rond die onderwerpen te documenteren. Mijn werk is eigenlijk een soort van ‘psychoanalyse’ van de verschillende fases in mijn leven. Via een tournee in Israël bijvoorbeeld raakte ik erg in politiek geïnteresseerd: je zit daar echt in het politieke epicentrum van onze Wereld, in oeroude conflicten. Uit die politieke interesse resulteerde ‘het muurproject’, een installatie/performance die ik samen met Merlin Spie realiseerde.

Ik ben heel dankbaar dat ik de mensen van PONI om me heen heb: zij zijn een ongelooflijke bron van inspiratie voor mij. Ik leer van hen elke dag. Het zijn allemaal mensen die goed zijn in datgene wat ze doen (dans, muziek, beeldend werk…) en bovendien zijn ze allemaal nieuwsgierig om buiten hun eigen grenzen te kijken en ook rekening te houden met wat er in de geschiedenis van de kunst al allemaal is gebeurd. Zo iemand als Gudni (Gunnarsson) bijvoorbeeld: hij heeft in IJsland schilderkunst gestudeerd maar hij noemt Kuifje zijn belangrijkste inspiratiebron. Die IJslander komt ons hier vertellen dat we Magritte niet mogen vergeten. Hij is ervan overtuigd dat de dadaïst Hugo Ball of Magritte of Delvaux heel gelukkig zouden zijn als ze ons werk zouden zien.

Voor het tweede project van PONI hebben we gewerkt rond de woorden ‘dood, illusie en ritueel’. Rituelen zorgen ervoor dat je over dingen kan communiceren waarover je op geen enkele andere manier kan communiceren. In dat creatieproces hebben we een tijdje rond requiems gewerkt. Dat heeft ons veel geleerd op compositorisch vlak: hoe die systemen met herhalingen, canons enz. in elkaar zitten. Bij dat werkproces zijn er ook twee films heel belangrijk geweest: Pierrot le fou van Jean-Luc Godard en Faustrecht der Freiheit van Rainer Werner Fassbinder, vooral dan om die homo-erotische kant van Fassbinders werk en zijn persoon, die body language waarmee zoveel kan worden uitgedrukt. Idiotie, humor zijn voor mij ontzettend belangrijk. Idiotie zou je kunnen omschrijven als: gewoon met jezelf durven lachen en met al de rest. Misschien is idiotie wel het tegengestelde van religie. Maar psychologie blijft toch mijn grootste fetisj: ik ben altijd geïnteresseerd geweest in intermenselijke relaties. Bovendien geloof ik in muzen: vrouwen – hoe moeilijk het ook is om met hen te werken – inspireren mij. Dat alles levert mij ideeën op: het gaat immers altijd om een combinatie van een goed beeld, de energie van de muziek, een mooie beweging of een knap gebouw, een kleur of een geur, een object, de context, de toeschouwer… Het is een alchemie.