Reservoir: Stef Lernous (NL)
In de rubriek Reservoir laten wij elke keer een kunstenaar aan het woord over zijn ‘reservoir’: de bibliotheek, videotheek, het archief, de ervaringen waaruit hij/zij put bij het creëren. De voorstellingen van de Mechelse groep Abattoir Fermé roepen een vrij coherente ‘horror’-wereld op. Stef Lernous, regisseur en auteur, vertelt waardoor die wereld gevoed wordt. Via een niet afgemaakte grafiekopleiding en een job als verkoper van GSM’s belandde hij in Kontich, eerst in een studio waar klassiek ballet werd gegeven en daarna in het amateurtheater.
Ik vond dat ballet wel heel plezant, ook los van feit dat ik daar de enige jongen was. Misschien werkt dat vandaag ergens nog door in het feit dat ik eerder choreografeer dan regisseer, in de aandacht voor beeld en beweging en vooral voor het lichaam. Maar de echte ‘kapstok’ waaraan je mijn werk van vandaag kan ophangen heeft te maken met de horrorfilms, de fantastische films die ik als kind op zondagnamiddag op de televisie zag: de avonturen van Simbad, die heel primitieve stop motion animaties. Naïef slecht, maar zo plezant. Ik associeer dat altijd met gezelligheid. Mijn vader was ook zot van die dingen: Griekse mythen verteld à la Hollywood, de Clash der Titanen, Medusa, die nachtmerrieachtige iconografie van de Griekse mythologie, Cerberos, Pegasos, Jason en de Argonauten, de reis van Odysseus. Die gezelligheid, dat goedkope karakter én de epiek van die dingen daar kon ik samen met mijn vader in opgaan, terwijl mijn moeder iets had van: Zèèg, dat geloof je toch niet allemaal! Video hadden wij toen nog niet, maar voor het weekend kon je zo’n movie box huren met drie films erbij die ik dan als dertienjarige mocht kiezen: altijd van die slechte horrorfilms over beesten die zich tegen de mens keren, wespen die gevaarlijk worden, beesten die muteren… Toen ik in het vijfde secundair zat, zag ik drie films per dag: die dosis moèst ik hebben. Op een bepaald moment denk je dat je die hele horror en sciencefiction wel gezien hebt en kom je in de arthouse films terecht: die sleezy set cinema van John Waters of Andy Warhol. ‘Pelliculaire lelijkheid’ noem ik dat, met acteurs die echt niet kunnen spelen, maar voluit gaan in het doen van obscene dingen, in lelijke kleuren en decors: een heel eigen universum, maar dat toch ergens zijn wortels heeft in de tijdsgeest. Daar zijn wij nog steeds naar op zoek: hoe die Zeitgeist weergeven in de dingen die je maakt. Ook vandaag blijft film de belangrijkste inspiratiebron: Salo van Pasolini, rampenfilms à la Independence Day en zeker Songs from the Second Floor van Roy Anderson. Maar ook de Japanse film, zoals Kichiku (The demon) van Nomura Yoshitaro waarin een vader zijn kind van een klif wil duwen, maar dat dan niet doet. En dat kind wéét wat er gaat gebeuren. Die man valt dan huilend op zijn knieën en pakt de voetjes vast van dat zevenjarig kind. Die volwassen vent op zijn knieën voor dat kind: dat is zo schoon. Je hebt die film zelfs niet nodig: die ene scène vertelt alles.
Meneer Coppens, een leerkracht uit de lagere school, had een tof klaslokaal met schildpadden in een aquarium en opgezette beesten. In zijn klasbibliotheek stond Lucifer. Die naam kende ik: dat was de duivel uit de horrorcinema. Ik heb erop aangedrongen om die tekst van Vondel te mogen lezen. Als elfjarige versta je daar niks van tot je op één vers stoot dat je wel verstaat: drie zinnen over de duivel. Dat was sensationeel! Zo heb ik mijn ouders aan hun kop gezaagd tot ze het complete werk van Shakespeare hebben gekocht. Ik las Shakespeare en Bordewijk op mijn twaalfde. Ik verstond er niks van maar de stukjes die schoon klonken heb ik vanbuiten geblokt: Othello, Macbeth met al dat bloed. Alice in Wonderland van Lewis Carroll is het eerste boek dat ik ooit kocht met mijn eigen geld. Ik heb er ondertussen meer dan 100 verschillende edities van. Met Abattoir Fermé hebben we O’Neill gespeeld: Liefde onder de olmen. Die vader, die jongste zoon: tragedie, incest. En dan zijn er de inspirerende personages zoals Salomé en Lulu. Ik zag Salome where she danced, een film van Charles Lamont uit 1945, en wilde meer weten over dat personage. Ik had aan de deur een heel slecht bijbeltje gekocht van Jehova getuigen: daar stonden van die lelijke tekeningen. Maar je zoekt verder en je komt bij Oscar Wilde terecht: vlot geschreven, een beetje belegen en bombastisch, maar wel theater dat je pakt en dat frivool is. Daarna zag ik die rare verfilming, Salome’s last dance van Ken Russell: ik ben zot van zijn kitschy films. En via dat personage kom je in de schilderkunst terecht. Salomé is zoveel keren geschilderd: zowel in de gedaante van een jong klein meisje als in die van een laddervet wijf.
Een stuk vlees
In de schilderkunst ligt Jeroen Bosch als inspiratiebron voor de hand, maar toch ook vooral Francis Bacon, niet alleen om zijn werken maar ook om wie hij is, om hoe hij werkt. Hij neemt een foto, verscheurt die, plakt ze terug aan elkaar of neemt het deksel van een verfpot en trekt daarmee een cirkel op zijn doek. Hoe hij zich moet omringen met dingen om te kunnen schilderen. En ook om die band met meditatie en hoe hij dat, net zoals David Lynch of Burroughs, kan ‘open’ trekken. Ik had vroeger een dégout van esoterie of alles wat daar naartoe zweemde. Maar vandaag lijkt het mij een middel om wat adem te krijgen in deze drukke wereld. Bacon kon een stuk vlees op een plateau smijten, als een soort dissectie, heel theatraal ook. En dat dan beginnen schilderen. Hij had zijn eigen wereld maar stond ook met een voet daarbuiten. Ik ben ook heel zot van de doeken van de Prerafaëlieten, o.a. om de verhalen die zij gebruiken uit de Romeinse mythologie, Heliogabalus bijvoorbeeld.
En dan zijn er natuurlijk de vrouwen: ik ben een grote fan van vrouwen. Bijvoorbeeld Mieke Maaike van Boon, een van de weinige boeken waarvan ik zelf bijna moet blozen. Of Lolita van Nabokov: grappig, stout en heel goed geschreven. Het is fantastisch wat je met woorden, met literatuur kan doen. Ook met oude legenden zoals die van de Golem uit Praag. Ik was veertien toen ik Malpertuis van Jean Ray las en mij helemaal liet vangen door die fictie van iemand die iets opbiecht. Of Waren de goden kosmonauten? van Von Däniken: dat opende een andere manier van kijken. Ik dacht toen: ‘Dat is toch wààr. Piramiden kunnen niet gebouwd zijn door mensenhanden; ze moeten hulp gehad hebben van de aliens’. De horror die ik opzoek is niet die van de echte SF, van de robots, het blijft over mensen gaan, over dat stuk vlees dat je op een bord smijt. Apocalypse now, dat is pas échte horror.
Ook wat het gebruik van klank betreft haal ik vaak mijn materiaal uit horrorfilms - maar dan uiteraard gesampled - én uit documentaires. Misschien zijn het wel allemaal portretten, personages die ons aantrekken, zoals Lulu of Salomé, Frankenstein of King Kong. Eigenlijk is de verwondering datgene wat ons bindt in Abattoir Fermé. Joost, Nick, Tine, Chiel, ikzelf… we zijn zo naïef, we zijn zo graag verwonderd. We denken dat we met dit soort verhalen en portretten andere mensen ook kunnen verwonderen.