Ook wie Béjart niet kent, kon uit zijn vorige werken reeds opmaken dat hij zich door Wagner aangetrokken voelt. Hij wil een ‘Gesammtkunstwerk’, of ‘spectacle total’ verwezenlijken voor een ruim publiek van ingewijden (!). Daartoe gebruikt hij een mengeling van mystiek en erotiek. Het resultaat is een vat vol contradicties, die telkens weer wrevelig maken en toch aanlokken. Over zijn tijdgenoot zei de teleurgestelde Nietzsche dat het een ‘showman’ was. Ook dat is eens toepasselijk op Béjart…
Een paar jaar geleden heeft de Fransman Béjart de choreografie van Venusberg (Tannhaüser) in Bayreuth verzorgd. Een vernieuwde versie daarvan diende als openingsballet voor dit Wagner-drieluik. Het is een bijzonder mooi ding geworden. Het eerste gedeelte – modern-style kronkeldecor van Roustan en Bernard – wordt ingedeeld in vlugge en krachtige danssequenties. Vrouwen en mannengroepen, afgewisseld door de Man die Venus achtervolgd (buitengewone vertolking van Vittorio Biaggi), rukken, in hun diagonaal optreden, de scenische ruimte in flarden uiteen. Het tweede gedeelte De strikken van Venus (letterlijk en figuurlijk) is statischer of, liever, hiërarchischer. De sterk erotische en zwoele sfeer heeft Béjart met trefzekere beheersing en maturiteit maximaal uitgespeeld. We zitten ver van het modern primitivisme van Le Sacre du Printemps of Bolero. In Venusberg snuift men exotische bloemengeuren op, voelt men de beklemmende fin-de-siècle broeikassfeer, en ‘geperverteerde’ jugendstil-kronkels. Maar alles wordt bijna met sereniteit, in een brede, zelfzekere ademslag uitgewerkt. Dit verheugt des te meer omdat Béjart hier op een gevaarlijke manier met kitsch aan het flirten is, maar zonder ooit in de Folies-Bergères-geest te vervallen. Integendeel, men zou bijna durven beweren dat kitsch en Folies-Bergères hier als (onbewuste?) inspiratiebron fungeerden.
Hoe fel Béjart door Wagner geobsedeerd was, bleek reeds uit zijn roman Mathilde ou le temps perdu (Julliard, 62). Het was een soort van literair-poëtische parafrase van de verhouding van Wagner met het echtpaar Wesendonck. Het ballet Mathilde kan men dan een muzikaal-choreografische parafrase van zijn roman noemen. Als muzikale stof heeft hij de prelude en dood uit Tristan en Isolde, samen met de Wesendonck-lieder gekozen. Op een lege scène verschijnt een man. De coulissen en heel de theaterapparatuur zijn zichtbaar. Ergens op de achtergrond repeteren enkele dansers. Op de voorgrond staat Mathilde (sopraan Maryse Patris) op een man te wachten. En stilaan, door de muzikale sfeer, herinnert de man zich zijn verleden. Hierop schieten droombeelden uit de grond en vallen uit de bovenruimte stoffige theaterdraperieën. Dit begin – het oproepen van een negentiende-eeuwse operasfeer – is bijzonder geslaagd. Het laat iets zeer sterk verwachten. Het wachten duurt – heel het kerngedeelte door – tot aan het slot, dat weer van een aangrijpende plastische schoonheid is. Het middengedeelte bestaat uit een pantomimisch opstellen van hoofdfiguren (hij, zij en de reiziger) en een serie onooglijk ingewikkelde verstrengelingen van de dansers. Men kan de bedoeling vermoeden, die meer van theatrale dan van choreografische aard is, maar daar wel blijft het ook bij. Het is weer een evocatie op muziek geworden. Nou ja, men kon ook altijd nog naar de muziek luisteren. H. Diels kon heel veel halen uit het orkest van de Munt.
Tussen de choreografische gaafheid van Venusberg en de plastische vonk Mathilde genaamd, stak een matte Siegfried Idyll in een choreografie van Milko Sparemblek. In De Nieuwe van 15 januari 1965 heb ik uitvoerig over de stijlloosheid gesproken die deze choreograaf kenschetst. Het gebrek aan choreografisch creativiteit bij Sparemblek neemt gevaarlijke afmetingen aan.
Voor de belichting had men weer eens de Amerikaanse Thomas Skelton doen komen. (Hij belichtte reeds de Negende en bijzonder knap Pelleas en Mélisande, en is meestal werkzaam met Paul Taylor Dance Company). Er werd beslist ditmaal ook weer heel wat werk van gemaakt. Vanuit alle mogelijke hoeken en kanten werden de dansers in een vloeibare en veelkleurige lichtbrij gezet. Dit kan voor theatrale danswerken, zoals bijvoorbeeld bij Mathilde mooie resultaten opleveren. Maar het verandert echter niets fundamenteels aan een sterk geconstrueerde choreografie, zoals die van Venusberg, of een zwakke pasjesdoenerij, zoals Siegfried Idyll.
Moest er met die avond iets bewezen worden? Ja. Op Wagner kan gedanst worden. En ja, op Wagner kan ook slecht gedanst worden.