Interventies Rudi Laermans tijdens Stationen 2, Brussel, Kaaitheaterstudio's, mei 2004

Stationen 1 Jan 2004Dutch

item doc

Eerste avond, 20 mei 2004

Ik zal mijn lezing staande houden aan het schoolbord, omdat ik ook in mijn beroep een belangrijk deel van mijn tijd aan het schoolbord doorbreng. Ik geef les aan de KU Leuven, waar ik aan de faculteit sociale wetenschappen verbonden ben als socioloog; één van de subdisciplines waar ik mij mee bezig houd is algemene sociologie en daarbinnen bestaat een theoretisch kader dat systeemtheorie heet. Sociale systeemtheorie is een van de dingen die ik met heel veel plezier doceer aan de faculteit sociale wetenschappen in Leuven, maar ook, en ik kijk nu in de richting van enkele mensen die er les volgen, aan de dansschool PARTS hier in Brussel. Thomas heeft mij gevraagd, vanuit zijn eigen interesse in systeemtheorie, om hier vanavond iets te vertellen over systeemtheorie, en als het kan ook even door te vertalen naar onze situatie, wat ik niet zo gemakkelijk vind. Met andere woorden, ik kom hier eigenlijk niet vertellen over mijn beroep, maar ik zal mijn beroep hier gewoon even voor jullie uitoefenen gedurende zo'n tien à vijftien minuten. Ook zal ik, zoals Thomas dat zo mooi heeft aangegeven met pijltjes in zijn tekening hier op het schoolbord, van buiten naar binnen stappen met mijn beroep, daar zelfs effectief hier de voorstelling mee binnenkomen. 

Wat zijn sociale systemen? Laat mij vertrekken van de virtuele want ondertussen uitgevaagde tekening die Thomas gemaakt heeft toen hij het theatersysteem, de theaterstructuur probeerde uit te leggen. Het viel daarbij op dat hij haast enkel symbolen van mensen begon neer te plaatsen. Dat vind ik heel raar. Uitgezonderd het boek dat een regisseur eventueel gebruikt, dus de dramatische tekst daargelaten, suggereert hij dat het in het theatersysteem - en meer in het algemeen in de sociale wereld - enkele om mensen zou gaan, en om verhoudingen tussen mensen. Okay, misschien klopt dat op een bepaalde manier wel, al vraag ik mij dan nog altijd af wat die verhoudingen tussen mensen überhaupt zouden kunnen inhouden? Gaat het om verhoudingen tussen lichamen? Om verhoudingen tussen gedachten? Dat lijkt weinig plausibel. Hoe zouden we verhoudingen tussen gedachten of tussen "bewustzijnen", of hoe zouden we verhoudingen tussen lichamen, überhaupt kunnen observeren? Ik denk dus dat het geen goed vertrekpunt is voor het beschrijven van een samenleving of sociale systemen om te vertrekken van menselijke verhoudingen, want we weten nooit waarover we het hebben wanneer we het over mensen hebben: gedachten, lichamen, cellen, enz.? Dus wat zijn intermenselijke verhoudingen eigenlijk? 

Er is een veel simpeler uitgangspunt, dat zeker ook relevant is als we het over theater hebben (daarover zo dadelijk nog iets meer), namelijk dat het in het sociale, in het samenleven... om intermenselijke verhoudingen gaat, en niet om de mensen die participeren. Het gaat om het 'inter-', en wat zit er soms tussen mensen? En wat was er afwezig in de ondertussen afwezige figuur op het bord? Communicatie. Ik denk dat we over het sociale alleen kunnen spreken, toch zeker in observeerbare zin, in termen van communicatie tussen mensen. Ik zeg wel "communicatie tussen mensen", en die verbindt ons niet, helemaal niet. We zijn wel betrokken op die communicatie, met gedachten die voor ons wederzijds intransparant zijn. U kan hier ondertussen bijvoorbeeld zitten denken hoe vervelend deze uitleg is, en uw lichamen gaan ondertussen gelukkig ook voort met cellen aan te maken, maar dat zit hier niet allemaal tussen ons. Wat zit er tussen ons? Communicatie, zoals gezegd, en het valt nog te bezien of die communicatie mij valt toe te rekenen. In zekere zin wel, maar in een ander opzicht ook niet, want communicatie vindt hier plaats en ondertussen kan ik bijvoorbeeld aan iets heel anders denken. Of kan ik zelf ook vinden dat ik vervelend ben, enzovoort. Dus waar is het 'ik' - dat van mij, dat van u - dan soms in verhouding tot die communicatie? Dat zijn, laten we zeggen, metafysische vragen: daar hoeven we ons helemaal niet mee bezig te houden. '  

Communicatie dus... Nu heel even scherper. Met de notie van communicatie bedoel ik niets meer dan de mededeling van informatie. Die wordt op een bepaalde manier begrepen 'in gedachten', maar dat is niet observeerbaar. Hoe kan ik weten dat u mij begrijpt? Op dit moment weet ik het niet, ik kan het alleen maar observeren wanneer er een tegen-communicatie komt, bijvoorbeeld wanneer een van u iets opmerkt. (Prompt volgt een publieksreactie: "Zou u iets langzamer kunnen spreken?") Met andere woorden, als we het over het begrijpen van meegedeelde informatie hebben, dan moeten we toch een onderscheid maken tussen enerzijds het begrijpen dat gebeurt in de hoofden van mensen, het bewuste begrijpen, en anderzijds het eigenlijke sociale begrijpen, dat gewoon afleesbaar is aan een volgende communicatie. Daaraan kan geobserveerd worden of de communicatie begrepen is of niet. Dat betekent dat wanneer we 'communicatie' als ingang nemen om over het sociale, de maatschappij en dergelijke te praten, we het meteen al hebben over kettingen van communicaties. Eén communicatie is eigenlijk geen communicatie. Communicaties volgen elkaar op, en daarom is 'afleesbaar' wat door anderen begrepen werd van de vorige communicaties. 

Denk nu eens even opnieuw aan de theatersituatie: die is toch bijzonder vreemd? Er wordt gecommuniceerd, en er is geen antwoord. Spelers en regisseur weten eigenlijk nooit of ze begrepen worden, tenzij er natuurlijk achteraf in de foyer wordt nagekaart. (Publieksreactie: "En lachen dan?") Lachen, inderdaad, maar laten we zeggen dat er dan een gevolg is van het feit dat een humoristische situatie een humoristische pointe heeft. Er is één belangrijk punt van niet-verbale communicatie, hoewel er soms ook wel sprake is van verbale communicatie in het geval van nietbegrijpen wanneer er boe wordt geroepen... - er is dus één belangrijk moment waarop een zeker begrijpen of niet-begrijpen uitgedrukt wordt, zij het zeer symbolisch, en dat is het applaus aan het einde van een voorstelling. Het applaus is essentieel, al was het maar om aan te geven dat er überhaupt communicatie heeft plaatsgevonden, dat er voor het publiek iets als 'communicatie' is gebeurd. Tegelijkertijd is het applaus ook de communicatie van een appreciatie en in die zin ook van een begrijpen. Als er weinig applaus weerklinkt, dan kan je observeren dat er niet veel begrepen is, dat er niet veel is 'doorgekomen'. 

Publieksreactie: "Bij muziek is er toch ook een applaus, en muziek is toch geen communicatie?". Wacht even. Ik heb niet gezegd, er is trouwens al op gewezen, dat er geen nietverbale communicatie bestaat; ik heb helemaal niet gezegd dat communicatie talig is. Communicatie kan zich in heel verschillende media afspelen. Communicatie kan de vorm aannemen van beelden, communicatie kan de vorm aannemen van muziek - van georganiseerde, gestructureerde klanken. Communicatie kan ook de vorm aannemen van beweging: er bestaat zoiets als danskunst, als een soort van - laten we zeggen - verfijnde vorm van communicatie op een non-verbale manier. 

Reactie Thomas Lehmen: "Communicatie betreft dus altijd het overmaken van communicatie, en het opnemen van informatie. Of houdt communicatie in dat er ook zoiets als een proces van verstaan is? Immers, anders kan ik met die informatie niets doen; en ik kan ook niet communiceren als ik niet begrijp wat er gebeurt". Okay, dat brengt ons terug bij wat ik daarnet probeerde aan te geven over dat begrijpen. Maar mijn punt is: in feite zeg jij dat begrijpen het "telos", het doel van communicatie zou zijn. En dat brengt ons dan weer heel snel bij de overdrachtsmetafoor van communicatie, het beeld dat iemand een intentie heeft en dat die intentie door iemand anders op een bepaalde, juiste manier moet begrepen worden, of de communicatie is niet gelukt. Ik denk dat het overdrachtsmodel nogal een erg rare manier is om naar communicatie te kijken. Weet je wat de clou is (en ik zou zeggen: gelukkig maar): wanneer communicatie niet begrepen wordt en ze aanleiding geeft tot vragen, dan gaat de communicatie gewoon verder. Dat is precies de paradox van communicatieprocessen: wanneer communicatie niet begrepen wordt en dat niet-begrijpen wordt gecommuniceerd, dan loopt het communicatieproces gewoon verder. (Thomas probeert te repliceren, maar Rudi merkt dat niet en gaat door, waarop iedereen in de lach schiet). Vergeet niet - als ik even een voorbeeld mag geven - dat er specifieke sociale systemen bestaan (maar ik probeer de terminologie van sociale systemen er hier een beetje buiten te houden...) die op niet-begrijpen draaien. Je kunt bijvoorbeeld nooit zeggen wat je voelt, en een ander kan nooit echt begrijpen wat jij voelt. Nu, dat is fantastisch als brandstof of motor voor communicatie: er zijn huwelijken die jaren op dit emotionele niet-begrijpen draaien. En er bestaan wellicht ook huwelijken die jarenlang op een écht niet-begrijpen stoelen. 

Reactie Thomas Lehmen: "Dan is het eigenlijk belangrijk hoe je communiceert, zodat het bijvoorbeeld mogelijk is om vragen te stellen. Als je communiceert, of als je iets zou communiceren, moet het zo gebeuren dat het mogelijk is om vragen te stellen, zodat het communiceren bij niet-begrijpen verder kan gaan". Neen, want in laten we zeggen alledaagse communicatie - want je hebt natuurlijk allerlei vormen van gespecialiseerde communicatie zoals artistieke communicatie... - in de alledaagse communicatie signaleert gewoon het feit dat je op een bepaalde manier aansluit op wat iemand gezegd heeft dàt je het begrepen hebt op een bepaalde manier. En dat dus zonder dat je heel expliciet zegt 'ik begrijp wat je hebt gezegd op deze manier'. Gewoon de manier waarop je verdergaat: daaruit spreekt een impliciet begrijpen, een impliciete - laat ik het heel eenvoudig zeggen interpretatie van, of betekenisgeving aan, de meegedeelde informatie. Publieksreactie: "Dan is het wederkerig, namelijk dat de ander begrepen heeft wat je gezegd hebt" Ja, maar ik zie het punt eigenlijk niet van wat die wederkerigheid... "...als de ander begrijpt wat jij communiceert, dat is toch essentieel. Als je snapt dat de communicatie een licht brengt, dat het begrepen is..." Kijk, de communicatie wordt op een bepaalde manier begrepen, waardoor ze per definitie ook altijd 'misbegrepen' kan worden. Maar dat 'misbegrijpen' is er dus enkel in het licht van hoe iemand zelf datgene interpreteert wat hij of zij zegt,. Je kunt het dus ook zo bekijken, en dat is wat ik bepleit: dat wat gezegd wordt, door degene die het zegt op een bepaalde manier wordt geïnterpreteerd, en dat die interpretatie, zo blijkt uit de aansluitende communicatie, wel of niet wordt gedeeld door degene die luistert. Welke is dan de juiste interpretatie? Is degene die als eerste spreekt ook per definitie degene die correct begrijpt wat hij of zij zegt? Waarom zou dat zo zijn? Waarom zou de interpretatie door mijzelf van datgene wat ik aan het zeggen ben ook per definitie superieur zijn, gewoonweg omdat ik de spreker ben, aan de interpretatie die eventueel iemand anders hier geeft aan wat ik hier aan het zeggen ben (en die radicaal kan verschillen van de interpretatie die ik geef)? Daaruit blijkt nogmaals hoe autonoom eigenlijk datgene is wat hier tussen ons gebeurt, namelijk communicatie. Zelfs al ben ik de producent van die communicatie, dan geef ook ik er maar een interpretatie aan. Met andere woorden: ik kan datgene wat ik zeg verkeerd begrijpen. Of beter, niet verkeerd, maar misschien minder plausibel dan dat iemand anders het plausibel kan maken.
En nu komen we, om af te ronden - tenzij iemand nog iets wil opmerken?... -, bij de situatie hier. Dat iemand niet begrijpt wat hij of zij communiceert: precies dàt toont zich keer op keer in kunst. De kunstenaar die iets maakt en er een interpretatie aan geeft, en achteraf praat met een criticus...; wel, die criticus die zegt 'hm, zo had ik het niet bekeken...', kan als reactie van de kunstenaar te horen krijgen: 'eigenlijk heb jij een interessantere interpretatie van mijn werk dan ikzelf had toen ik het aan het maken was'.
Nu nog de slotvraag: wat is een sociaal systeem? Een opeenvolging van communicaties. Die opeenvolging van communicaties, die gebeurt. Dat betekent dat een sociaal systeem bestaat uit gebeurtenissen die elkaar opvolgen, uit communicaties die komen, vergaan en plaatsmaken voor nieuwe communicaties. Waarbij dat de vraag steeds is: hoe zal het verdergaan? Wat zal de volgende communicatie zijn? En ook: komt er een volgende communicatie?
Afrondend, weerom, vertaald naar de situatie hier: ik denk dat het zonet gezegde een van de mogelijke interpretaties aanreikt van deze situatie. Het valt me op dat Thomas op elke mogelijke manier de situatie niet probeert op voorhand te interpreteren. Hij heeft bij de aanvang van de voorstelling wel uitgelegd wat hij wilde doen, maar hij heeft niet gezegd waarom hij dat wilde doen. Wel, een van de dingen die mij treft, is dat je helemaal niet weet hoe de communicatie hier zal verlopen. De communicatie krijgt dus terug iets van haar gebeurteniskarakter, met alle 'onverwachtbaarheid', en - laten we het zo maar noemen - alle charme, maar ook soms alle irritatie vandien. 

Publieksreactie: "U zei daarstraks dat je gevoelens niet kunt communiceren". Neen, en daar zijn vele redenen voor, maar er is een eenvoudige reden vanuit communicatief standpunt: (1) je had ze ook niet kunnen communiceren, en (2) je had ze altijd op een andere manier kunnen communiceren. Dat betekent dat de manier waarop je over gevoelens communiceert, en ik denk dat we dat vaak ook wel weten, per definitie - met een technische term - contingent is. Datgene wat je zegt is nooit een passende afbeelding - hoe zou het dat ooit kunnen zijn - van datgene wat in dat zeggen beschreven wordt, namelijk die gevoelens. Je kan kortom wel over gevoelens communiceren, maar nooit in een één op één-relatie. Daarom kan een andere partij, en precies dat is dus de moeilijkheid in emotionele communicatie, altijd de oprechtheid van emotionele communicatie betwijfelen. Altijd. Er is een zeer mooie uitspraak van Niklas Luhmann, een van de grote tenoren binnen de sociale systeemtheorie, die zegt: "Gevoelens worden onoprecht vanaf het moment dat men ze oprecht probeert te communiceren".

Publieksreactie: "Meneer, wat denkt u nu van..., dit is een tijd van veel uitvindingen en zo, dat is fantastisch. Maar waar die communicatie waar u het over hebt totaal verdwijnt: wat wordt dat dan? Alles gaat naar de knoppen! Waar gaan we naartoe? De communicatie, de menselijke communicatie... Meneer, communicatie gebeurt toch tussen mensen, dat moet toch ook voor u primordiaal zijn?". Neen, absoluut niet, ik denk dat er geen menselijke communicatie... ik heb een boek geschreven dat 'Communicatie zonder mensen' heet. (Publiek schiet in de lach.). Laat ik het zo zeggen, heel simpel: ik denk dat als je de huidige maatschappij wil begrijpen, je per definitie aan het praten bent over de wereldmaatschappij - je bent op een mondiaal niveau aan het observeren. Of het daarbij gaat om economie, politiek, wetenschap, onderwijs, of kunst, eigenlijk zit je altijd op een mondiaal niveau - met ongelijkheid enzovoort, dat is een ander verhaal, en een belangrijk. Dat maakt dat je onze maatschappij eigenlijk nog onmogelijk kunt begrijpen door de situatie waarin we ons hier bevinden - en ik denk dat dat ook het grote onvermogen van onder meer theater is -, waarin mensen elkaar kunnen waarnemen, en laten we dat menselijke communicatie noemen... dat je deze situatie niet langer als maat kunt nemen om de maatschappij te begrijpen. De situatie hier, van interactie, van face-toface, van aangezicht tot aangezicht communiceren, met een stem enzovoort...: dat is een situatie die binnen onze maatschappij, en vooral voor het functioneren van onze maatschappij, marginaal is. Eenvoudig gezegd: onze maatschappij draait onder meer rond beurshandel, die ongelooflijk veel effecten heeft qua werkgelegenheid et cetera et cetera - inkomens, geldstromen.... Beurshandel verloopt nu haast totaal elektronisch, en dat wereldwijd. Probeer de communicatie in beurshandel dus maar te begrijpen met een model van communicatie dat op de situatie hier is geënt... It's impossible, dan kan je niet, daarvoor is de beurshandel een veel te complex en 'nietmenselijk' communicatief gebeuren. Dat is het enige dat naar ik denk echt belangrijk is: we moeten ophouden de situatie - en nu ga ik het even gechargeerd zeggen van communicatieve nestwarmte te projecteren op het samenleven, om dan vervolgens te beweren dat de maatschappij geen nestwarmte meer biedt. Ja, akkoord, maar met zo'n uitspraak hebben we ook gewoon niets begrepen van hoe de maatschappij werkt. En willen we er terug nestwarmte in brengen, dan zullen we eerst dat functioneren moeten begrijpen, zo denk ik. En daarvoor is het model van directe communicatie tussen mensen gewoonweg niet geschikt.

 

Lezing tweede avond, 21 mei 2004

(Korte intro over het beroep van sociale wetenschapper, en over het doceren van een mini-cursus sociale systeemtheorie binnen de context van 'Stationen': dat is als een voorstelling in een voorstelling).
Laat ik beginnen met de notie van systeem. Wat ik gisteren probeerde duidelijk te maken, is dat sociale systemen niet bestaan - zoals Thomas zijn intussen verdwenen bordschets suggereerde - uit verhoudingen tussen mensen. Je zou kunnen denken dat sociale systemen bestaan uit elementen genaamd mensen, waartussen dan verhoudingen voorkomen. Dat brengt ons bij een zeer eenvoudige definitie van 'systeem': je hebt relaties en elementen. Okay, maar ik wil een slag geven aan deze definitie vanuit een sociologisch oogpunt en ik zal betogen dat de elementen geen mensen zijn, en ook niet bijvoorbeeld sociale posities. Wat dat laatste betreft, denk aan een organisatie: die bestaat uit sociale posities die worden bezet door managers en arbeiders, met daartussen relaties. Ook dat is voor mij nog geen sociaal systeem, in strikte zin. Een sociaal systeem bestaat volgens mij uit elementen genaamd communicaties, waartussen inderdaad relaties bestaan. De stelling die ik hier vandaag wil toelichten, luidt dat systeemvorming - en let wel, ik heb het over sociale systemen, dus niet over biologische of psychische of lichamelijke systemen... ontstaat door complexiteitsreductie. Om dat duidelijk te maken, moet ik dus eerst iets vertellen over complexiteit en vervolgens over complexiteitsreductie. 

Complexiteit is een term die we ook in het dagelijkse leven gebruiken, maar in theoretisch opzicht heeft het woord een meer specifieke betekenis. Die heeft precies te maken met de relaties, of beter: de mogelijke relaties, tussen elementen. Laten we even teruggaan naar het bedrijf van daarnet. U weet allemaal dat een bedrijf een hiërarchische ordening is. Waarom? Is dat omdat mensen graag macht uitoefenen, enzovoort? Misschien, maar over deze psychologische of biologische kwesties ga ik mij niet uitlaten. Als socioloog weet ik één ding wel heel zeker, en dat is dat machtsuitoefening een bijzonder functionele manier is om met de mogelijke relaties tussen elementen - voorlopig denk ik ook nog even in termen van mensen... -, bijvoorbeeld tussen arbeiders, om te gaan. Want de machtige partij zegt eigenlijk: 'jij mag enkel communiceren met a, b of c, en wil je naar d gaan, dan moet je eerst via a, b of c.' Dat perkt het aantal mogelijke communicaties, en meer algemeen het aantal mogelijke relaties tussen elementen, die we dus vaak verkeerdelijk definiëren als mensen of posities, drastisch in. Hopelijk hebt u al een algemeen idee van wat complexiteitsreductie is... 'Complexiteit' betekent dat er teveel relaties tussen elementen mogelijk zijn of bepaald worden. Dat teveel aan mogelijkheden zorgt voor een complexe situatie, het creëert een complexe toestand. Er is sprake van hypercomplexiteit of 'over-complexiteit' wanneer het aantal mogelijke relaties dat op een bepaald moment mogelijk is zozeer stijgt dat het eigenlijk niet meer berekenbaar is. Even terug naar de situatie hier: denkt u zich eens even alle relaties in die hier mogelijk zijn, onderling of tussen alle aanwezigen... Welnu, dat is complexiteit.   

Nogmaals, ik wil niet denken over het sociale in termen van verhoudingen tussen mensen. De meest eenvoudige reden is dat iemand mij maar eens moet vertellen wat een mens nu eigenlijk is, en wat dus verhoudingen tussen mensen zijn!? Laten we er eenvoudigweg van uitgaan dat het sociale iets is dat zich tussen mensen situeert - en dan denk ik dat de meest eenvoudige kandidaat om dat 'tussen' verder te benoemen, de notie communicatie is. Ook zonder theoretische overwegingen is meteen duidelijk dat zonder communicatie zoiets als sociabiliteit en sociaal leven, sociale verhoudingen, zelfs verhoudingen tussen mensen..., onmogelijk zijn. Dus laten we vertrekken van communicatie: communicatie is de grondstof, en ook de brandstof, van sociale systemen. We spreken van sociale systeemvorming wanneer communicaties elkaar opvolgen. Er wordt gepraat, en er wordt verder gepraat - en als er verder gepraat wordt, betekent dat ook dat de vorige communicaties als het ware verdwenen zijn. Sociale systemen - en trouwens ook denksystemen of 'bewustzijnen' - zijn per definitie instabiel. Ze zijn voortdurend in beweging, ze moeten onophoudelijk nieuwe grondstof krijgen, namelijk communicaties - of het houdt op, ze vallen stil. We weten trouwens allemaal dat in het sociale leven stiltes vaak als bedreigend overkomen. Dus, communicatie is de grondstof, en opeenvolgende communicaties vormen een sociaal systeem. 

Bij één communicatie, en tracht u zich dat gewoon even voor te stellen...: bij één communicatie zijn er heel veel mogelijke relaties met alle potentiële volgende communicaties. De theoretische pointe bij de analyse van sociale systemen of communicatieprocessen bestaat er inderdaad in om bij één actuele communicatie, zoals degene die hier en nu gebeurt, te observeren dat er in principe vele aansluitmogelijkheden zijn. Daarom liet ik zonet ook een stilte vallen. Ik wilde duidelijk maken dat ook u zou kunnen communiceren: u zou kunnen 'tegencommuniceren'. U ziet, of u kunt denk ik wel inzien, dat in aansluiting op de lopende commmunicatie die hier gevormd wordt, er ongelooflijk veel aansluitmogelijkheden zijn. Er vallen heel veel vragen te stellen, heel veel opmerkingen te maken, etc. Er kan ook aangesloten worden met de uitspraak 'het is hier veel te warm, stop ermee'. Ook dat is een aansluiting, een volgende communicatie die het sociale systeem hier verder zet. Wanneer we de relaties tussen elementen denken, zijn dat dus communicaties in sociale systemen. En de complexiteit van mogelijke relaties moeten we als volgt denken: op een bepaald punt x is er een communicatie c(x), die heel veel aansluitmogelijkheden geeft naar een volgende communicatie. Ik spreek in dat verband graag over virtuele werelden. Wanneer we communiceren, opent zich bij elke communicatie inderdaad een myriade van virtuele werelden, van virtuele mogelijkheden om verder te gaan. Het verschil tussen een actuele communicatie en de virtuele communicaties die precies dankzij deze communicatie allemaal mogelijk zijn, maakt op elk moment het sociale systeem mogelijk. De complexiteit van sociale systemen, zit precies in dit verschil. 

Hoe ontstaat een sociaal systeem dan soms? Hoe continueert het zichzelf? Door complexiteitsreductie. Wat houdt dat in? Wel, niets meer of niets minder dan dat er één communicatie uit al die aansluitmogelijkheden - of laat ik veiligheidshalve zeggen: uit alle zinvolle aansluitmogelijkheden - wordt gekozen. Dat brengt ons bij de paradox van sociale systemen. Want op het moment dat de oplossing er is, wordt er opnieuw een probleem gecreëerd; op het moment dat er één communicatie wordt geselecteerd, is er opnieuw de vraag 'hoe verder te gaan?'. Kortom, een sociaal systeem ontstaat door complexiteitsreductie, door de selectie van een communicatie uit een waaier van aansluitmogelijkheden - wat meteen opnieuw het probleem van complexiteit creëert. Dat is de paradox van sociale systemen: complexiteitsreductie resulteert in een situatie die opnieuw om complexiteitsreductie vraagt, en dat altijd weer opnieuw. 

Nog één iets voor ik naar de situatie hier overstap: er is ongelooflijk veel mogelijk op elk tijdspunt, in een gedachtesysteem evenzeer als in een sociaal systeem. Het probleem, sociologisch gezien, is daarom niet de dwang, maar de vrijheid: er zijn hier en nu, zoals in ieder sociaal systeem, in principe te veel vrijheidsgraden om gemakkelijk verder te kunnen gaan. Die moeten dus beperkt worden, en juist dat doen sociale structuren. Er is een eerste inperking, een eerste vorm van complexiteitsreductie, die niet meteen zegt 'a en niet al de rest', maar die de mogelijkheden wel verkleint. Deze sociale structuur is niets anders dan de bindingskracht die uitgaat van thema's die verwacht worden binnen een bepaalde communicatieve situatie. Hier verwacht u bijvoorbeeld dat ik mij beperk tot het spreken over systeemtheorie. U zou verbaasd reageren als ik het hier plots zou hebben over persoonlijke besognes of weet ik veel wat. U verwacht dat er aansluitende communicaties zullen komen die aansluiten op het thema 'sociale systemen & communicatie'. Daarmee is de reeks van aansluitmogelijkheden al behoorlijk ingeperkt: er ligt een thema op tafel, en er zijn mogelijke bijdragen daartoe - wat ook wordt verwacht. Maar daarmee is niet ook vastgelegd, want sociale structureren zijn niet determinerend, wat hier precies gaat gezegd worden. Er zijn nog altijd veel vrijheidsgraden, maar heel wat minder dan in zeg maar de principiële situatie van daarnet. Dat is het werk van sociale structuren, die de communicatieve aansluitingsmogelijkheden inperken en zo voor een eerste vorm van complexiteitsreductie zorgen. 

We hebben verwachtingen, ook als we naar het theater gaan, over welk soort communicatie er in welk soort van sociale settings zal plaatsvinden - of juister: zal kunnen plaatsvinden... Het interessante bij communicatie in het theater is niet alleen dat er communicatie op de scène is en tegelijkertijd met een publiek, maar dat iets van die dynamiek die geschetst werd over complexiteit etcetera, heel structurerend is voor de theatrale situatie. Want wat zie ik als socioloog in het theater: een hoop mensen die zich samen afvragen 'hoe zal het verdergaan?'. De clou is natuurlijk dat er gewoonlijk kan verondersteld worden dat iemand de situatie zodanig heeft voorgeprogrammeerd, door een scenario of een choreografie, dat er ook effectief een einde zal komen dat op een of andere manier zinvol is. Maar toch, in het theater is de spanning, het drama, het dramatische element…, onlosmakelijk verbonden met het feit dat we wel niet voortdurend bewust zitten observeren wat alle aansluitmogelijkheden zijn, maar dat die toch latent in de vorm van een algemene spanningsboog mee vormgeven aan ons kijken en ons bijvoorbeeld letterlijk doen uitkijken naar wat komen zal... Hier is het echter meteen duidelijk dat we er eigenlijk niet vanuit kunnen gaan dat er een auteur is die de spanningsboog regisseert en daarom een plausibel einde waarborgt. Als ik heel basaal vertaal, komt de situatie hier erop neer dat Thomas een voorstelling choreografeert zonder choreograaf te zijn. Er is geen auteur waar we kunnen op vertrouwen dat het op een bepaalde manier zal verdergaan, ook al weten we dat juist dat vertrouwen voor een deel de spanning van het stuk uitmaakt. Hier kon en kan nog veel gebeuren. Tegelijkertijd hebben we ook al verwachtingen opgebouwd, en tegelijk vertrok de communicatie hier, dus de manier waarop mensen spraken, van zoiets als verwachtingspatronen. Mensen verwachten gedurig bepaalde dingen - dat hebben ze nu eenmaal geleerd - en voegen zich daarom naar bepaalde beelden in de manier waarop ze zich presenteren: 'dit wordt eigenlijk van mij verwacht in de manier waarop ik spreek over mijn beroep in deze setting'. Deze latent spelende verwachtingen kunnen deels geobserveerd worden, waarop zich na een tijdje dan weer verwachtingen van het publiek enten... En zo gaat - of juister: ging - dat hier gestructureerd door, ook zonder regisseur, gewoon via zelfstructurering (om het theoretisch uit te drukken). 

Reactie Thomas Lehmen: "Je zei dat mensen niet kunnen functioneren zonder een structuur vorm te geven door middel van verwachtingen. Maar dat lijkt mij ook een probleem op te roepen, namelijk wanneer je altijd verwacht dat je eigen verwachtingen ook vervuld zullen worden". Ja maar, je kan natuurlijk altijd ook afwijken... De theorie zegt niet dat je conform verwachtingen moet communiceren, want je kan verwachtingen altijd ook doorbreken, bijvoorbeeld door je te plaatsen boven de verwachtingen die gedefinieerd zijn door een organisatie. Sociale structuren en de verwachtingen daarbinnen zijn bijzonder licht... Iemand schreef ooit een stuk met de titel 'De ondraaglijke lichtheid van sociale systemen', en dat geldt zeker ook voor sociale structuren. Een ander punt is daarentegen dat er altijd machtsverschillen zijn. In een organisatie maken machtsverschillen dat de ene de verwachtingen tegenover een ander kan definiëren - en daarvoor is wél opnieuw communicatie nodig. Voor mij is een machtsverschil primair een verschil in macht om verwachtingen te creëren en door te drukken. In die zin zijn kunstenaars bijzonder machtig. Ze definiëren met elk werk altijd ook één doorslaggevende verwachting, namelijk dat je conform de logica van het werk zal kijken. 

 

Lezing derde avond, 22 mei.

(Korte herneming van de voorbije twee avonden). Vanavond wil ik het hebben over een belangrijk koepelbegrip uit de sociale systeemtheorie, dat ik ook zal trachten te vertalen naar de situatie hier, namelijk de notie van observatie. Als ik het over sociale systemen heb, dan heb ik het niet over mensen, maar over datgene wat als het ware tussen hen in zit, zijnde een opeenvolging van communicaties. Daarom hebben sociale systemen en communicatieprocessen ook een zekere autonomie, los van het feit of er gedachten geproduceerd worden of niet, of onze lichamen al dan niet doorgaan met het aanmaken van cellen, enzovoort. Wat ik hierna wil duidelijk maken is dat sociale systemen, net als psychische, lichamelijke of andere organische systemen, altijd ook observatiesystemen zijn. Observatie... Laat ik beginnen bij het klassieke voorbeeld van observeren uit de cybernetica, de thermostaat. Een thermostaat is een toestel dat het klimaat observeert en zodanig geprogrammeerd is dat het aanslaat wanneer het bijvoorbeeld minder dan twintig graden is. Met andere woorden, een thermostaat is niets anders dan het onderscheid plus en min twintig graden. Niets meer of niets minder. De hele wereld 'daarbuiten' is dus voor een thermostaat niets anders dan plus of min twintig graden. Hiervan kunnen we vertrekken om te stellen dat observeren altijd berust op distincties, op onderscheiden of onderscheidingen. Eigenlijk kan je zeggen dat elke observatie kan gedacht worden als een onderscheid a/b, waarbij als je iets als a observeert je minstens impliciet ook naar de b-zijde van het onderscheid verwijst. Man/vrouw, het is a, het is een man, het is geen vrouw - maar dat laatste hoeft niet ook expliciet te worden gedacht of gezegd. Dus als we observeren, wordt er eigenlijk altijd een andere zijde verondersteld waarvan het geobserveerde wordt onderscheiden, namelijk datgene wat het niet is. Dat is een basispremisse van de algemene observatietheorie. (Opmerking over notatie, vervolgens de aankondiging van vier punten). 

Eén. Wanneer men iets observeert, worden er reeksen van indicatief of eenzijdig gebruikte tweezijdige onderscheiden gehanteerd. Als je op deze manier observeert, en anders gaat het dus niet, dan observeer je alles behalve de wereld: de wereld verdwijnt voortdurend achter de gebruikte onderscheiden om te zien wat we zien. Anders gezegd, wat we zien is de wereld die we zien dankzij de gebruikte onderscheidingen en niet de wereld 'an sich'. De wereld is kortom datgene wat niet wordt geobserveerd wanneer we observeren. Nu zult u zeggen (of denken...), 'ja maar wacht even, de wetenschap...' enzovoorts. Natuurlijk is het zo dat wanneer er in bepaalde termen wordt geobserveerd, dus met bepaalde onderscheiden en daarom ook met bepaalde verwachtingen over 'wat het geval is', de geobserveerde wereld wel degelijk kan worden gefalsifieerd weerlegd. Het is alleen omdat je met bepaalde termen observeert, dat je ook verkeerd kan observeren, en wel 'binnen' of overeenkomstig de termen die je gebruikt om te observeren. Je denkt bijvoorbeeld 'kunst!', maar daaropvolgende observaties brengen je aan het twijfelen omdat het geziene helemaal niet strookt met jouw idee van kunst. Nogmaals, we zien niet de wereld, we zien een wereld. Juist daardoor kunnen we ook verkeerd observeren en kan dé wereld onze wereldinterpretatie tegenspreken. We observeren dan niet wat we conform de gebruikte onderscheiden verwachten te zullen, of te kunnen, observeren. 

Twee. Er wordt altijd geobserveerd in een bepaald medium, een bepaald 'substraat'. In het geval van verbale communicatie is dat dus de taal. Maar ook onze lichamen observeren constant, aan de hand van onderscheiden. Die onderscheiden hebben uiteraard geen talig karakter. Neem bijvoorbeeld ons hersensysteem, het neuronale systeem zoals dat heet. Dat observeert alles wat er op dit moment in uw lichaam gebeurt, en ook alles wat hier in deze ruimte gebeurt, in termen van elektrochemische verschillen. Voor het neuronale systeem is de wereld dus niets anders dan een gedurig wijzigende verzameling elektrochemische verschillen. Het is dankzij het bewustzijn dat we betrokken worden op zoiets als een wereld buiten ons, en dat door niets anders dan intern aangemaakte elektrochemische onderscheiden. Bij observaties die gecommuniceerd worden, gebruiken we dan weer meestal woorden, talige onderscheiden. Het tweede punt luidt dus dat we observeren binnen verschillende systemen, en dat elk systeem een primair medium van observatie heeft. Communicatie en denken koersen vooral op taal, lichaamssystemen hebben dan weer elk hun specifieke lichamelijke media. Dat is sterk, niet? En iemand moet mij nu eens zeggen wat een mens is! Moi, je ne sais pas! Is dat het organische systeem, is dat het hersensysteem, is dat het bewustzijn? 

Derde punt. Er is ook zoiets als het vermogen tot zelfobservatie. We beschrijven mensen voortdurend aan de hand van onderscheidingen, zoals introvert/extravert, antipathiek/sympathiek. Maar we beschrijven of observeren niet enkel anderen, we beschrijven ook onszelf. Ook hier produceren mensen zelfbeschrijvingen, al geef ik nu wel een brede invulling aan dat begrip: ze geven beschrijvingen van hun beroep. In brede zin kunnen we zeggen dat hier aan zelfobservatie wordt gedaan, meer nog: er wordt in termen van zelfobservatie gecommuniceerd. Is dat alles wat er hier gebeurt? Neen, niet helemaal: hier gebeurt niet alleen zelfobservatie, hier wordt bovendien geobserveerd hoe mensen zichzelf observeren. Dat is wat men noemt 'tweede orde-observatie'. Wanneer we onderscheidingen gebruiken om de wereld te observeren, gaan we er gewoonlijk vanuit dat die overeenstemmen met de geobserveerde wereld: dat is observeren in eerste orde, dat is het realistische standpunt (dat dus strikt genomen niet klopt). Hier in deze situatie kunnen we dat eigenlijk snel kwijtspelen, omdat we observeren hoe anderen zichzelf observeren en daarom merken dat wij hen of hun 'zelf' ook anders kunnen observeren. We observeren zelfobservaties, en we observeren wisselende manieren om zelfobservaties te presenteren...: dat noemen we dus tweede orde-observaties. Niet het wat, maar het hoe van het observeren, geeft dan de doorslag. 

Vier. Op het ogenblik dat er in tweede orde wordt geobserveerd, is er in principe zoiets mogelijk als 'contingentiebewustzijn'. 'Contingentie' is een technische term die verwijst nar het feit dat iets het geval kàn zijn. Het iets is mogelijk, of nog: het is niet onmogelijk en niet noodzakelijk, daarom is dat iets mogelijk of contingent. Wanneer je observeert hoe anderen observeren, zie je nogal eens de contingentie van dat observeren en kan je daarom zeggen: 'wel, je kunt het zo zien, maar je kunt het ook anders zien'. Er zijn andere interpretaties mogelijk, je kunt andere onderscheidingen gebruiken, of je kunt de andere zijde van eenzelfde onderscheiding hanteren. Dan 'zien' we dus de contingentie, het niet-noodzakelijk zijn van de onderscheidingen die worden gebruikt. 

Wat er gebeurt nu hier, in deze voorstelling? Het is duidelijk dat wanneer we naar kunst kijken, we altijd in tweede orde observeren. Een kunstenaar beschrijft, maakt beelden, deelt een manier van waarnemen mee..., dus communiceert observaties. En wij gaan die observaties op onze beurt observeren - dat geeft ons misschien een esthetisch genoegen, maar dat is hier het punt niet. We gebruiken daarbij altijd bepaalde categorieën: het is kunst of het is geen kunst, het is theater of het is geen theater, het is een voorstelling of het is geen voorstelling. De situatie hier, wat roept die op? De contingentie van de beschrijvingen waarmee we werken in een als theatraal of artistiek gedefinieerde context. Die context heeft Thomas geschetst, en hij heeft heel precies aangeduid welke transformatie hij daarin heeft doorgevoerd, namelijk dit 'buiten' naar binnen halen (wijst op het bord). Of juister, er zijn hier een aantal mensen dat over een buiten praat, dus dat 'buiten' van het uitgeoefende beroep blijft wel degelijk 'buiten'. Maar 'binnen' is het ook duidelijk dat het volstrekt onzeker wordt of het hier wel of geen theater is, of hier wel of geen voorstelling plaatsvindt, enzovoort. Wat mij de twee vorige avonden opviel, ook in de gesprekken tijdens de pauze, is dat mensen voortdurend naar de eerste orde terug willen. Ze waren aan het discussiëren of het een voorstelling is of niet, of het theater is of niet. Ze willen voortdurend terug naar de realiteitswaarde van die termen. Maar is het niet zo dat hier precies de contingentie van deze termen wordt getoond?

(Noot: de opgenomen mondelinge uiteenzettingen werden getranscribeerd door Jeroen Peeters. De transcripties werden nagelezen en soms ook lichtjes gecorrigeerd of aangevuld door de spreker met het oog op een minimale leesbaarheid, maar zonder afbreuk te doen aan het geïmproviseerde karakter van de geregistreerde 'optredens').