Emio Greco’s experimenten met het duet

De Standaard 31 Jan 2001Dutch

item doc

Ik zal Emio Grecos verschijning in Jan Fabres meesterwerk ‘Da un’altra faccia del tempo’ niet licht vergeten. De pezige, donkere, haast kaalgeschoren danser met de priemende blik speelde eerst de baarlijke duivel zelf. Een half dierlijk, kwaadaardig wezen vol listen en verleidingen. Later verbeeldde hij, of liever werd hij tot in de laatste pees en vezel van zijn lijf, een zieltogend paard dat zich schuimbekkend wou oprichten. Greco moet zelf ook de smaak te pakken gekregen hebben van deze belichamingen van dierlijke en uitzinnige staten van het lichaam. Hij verliet immers het Ballett Frankfurt van William Forsythe, waarvan hij deel uitmaakte, om zijn eigen weg te gaan. Meteen zei hij ook vaarwel aan zijn klassieke ‘roots’.

Na een kort bij Jan Fabre zette hij samen met de Nederlandse dramaturg Pieter C. Scholten de ‘Martini-trilogie’ op. Dat is een nogal ironische naam voor een met ijzeren consequentie uitgewerkt onderzoek naar voorbewuste toestanden van het lichaam, waarin – alweer – het dierlijke in de mens een grote rol speelt. De naam is geïnspireerd op de kleurkeuze voor de gesloten experimenteerbox, de scène dus, in elk deel. Wit in ‘Bianco’, rood in ‘Rosso’ en goudkleurig in “Extra Dry”. Telkens verscheen Greco er gehuld in een flinterdun, rafelig doek dat nauwelijks iets van zijn anatomie verhulde, maar tegelijk heel sterk het voor-menselijke karakter van de dans onderstreepte. In ‘Bianco’ leek zijn hemd zowaar het gerompelde vel van een wild fladderend kuiken bijvoorbeeld.

Met ‘Extra Dry’, het laatste deel, nam Greco’s werk een nieuwe wending. Hij stond deze keer niet alleen op de scène, maar werd geschaduwd door een dubbelganger, de voor de gelegenheid even kaal geschoren Andy Deneys. Het instinctieve en dierlijke van de beweging stond hier niet meer centraal. Wel de verbeelding van een oeroud, fundamenteel mechanisme: we ontdekken onszelf door ons evenbeeld, een andere mens, te zien, nog voor we dat in woorden kunnen vatten of ‘ik’ kunnen zeggen. Greco gaf dat vorm in een buitengewoon virtuoze dans. Van een haast strikt unisono dansen na de eerste gewaarwording van de andere op de scène ging het naar een complexe figuur waarin de dansers haast onmerkbaar hun eigen patronen ontwikkelden. Het stuk eindigde met een uitputtingsslag waarin de spanning tussen identiteit en verschil van de dansers maar niet beslecht raakte.

Dit spoor zet Greco nu verder met ‘Double Points 1 & 2’, duetten met de Spaanse Bertha Bermudez Pascual. Zij is niet de minste: zij verdiende haar sporen ook bij Forsythe en bij die andere ‘wonderboy’, Nacho Duato. In ‘Double Points’ tasten de twee dansers elkaars mogelijkheden af om ook hier uiteindelijk met een uitputtende dansante krachtmeting te eindigen. Een clash van rasdansers waar voor liefhebbers de gensters afspringen.