Nieuwe maakbaarheid?

Oikos 23 Feb 2009Dutch
www.oikos.be/schrijversgemeenschap

item doc

Open. Cahier over kunst en het publieke domein, jg. 7 nr. 15, 2008, Maakbaarheid. Hoe geef je vorm aan de samenleving van de 21ste eeuw?, 206 pp. www.naipublishers.nl/open

“Zijn er nieuwe, emancipatoire vormen van maakbaarheidsdenken, waarin handelen (‘agency’) voorop staat, die een tactisch, politiek of activistisch antwoord zouden kunnen geven op dominante neoliberale en neoconservatieve tendensen?” Met die vraag opent hoofdredacteur Jorinde Seijdel het cahier Open nr. 15, dat in een twaalftal bijdragen het begrip ‘maakbaarheid’ onder de loep neemt in relatie tot onze maatschappij vandaag, getekend door globalisering, informatie en netwerking, alsook door een obsessie met veiligheid en ‘actief burgerschap’. Daarbij worden wijsgerige analyses gekoppeld aan de bespreking van concrete stedenbouwkundige projecten, als fysieke component van de maakbaarheid van samenleving en publieke ruimte.

Maakbaarheid mag dan al een kind zijn van de Verlichting, volgens rechtsfilosoof Gijs van Oenen is de maatschappelijke invulling ervan van recentere datum: van Franklin Roosevelts New Deal in de jaren 1930 tot grootschalige projecten bij ons in de jaren 1960-70. Niet politiek stond daarbij centraal, wel de vertaling ervan in termen van beleid, waarbij efficiëntie gekoppeld werd aan het creëren van een draagvlak: “overheid en burger ontwerpen en realiseren eendrachtig de samenleving.” In de jaren 1980 slaat een en ander om door toenemende instrumentalisering en liberalisering, waarbij de ‘samenleving’ als een bedreiging wordt gezien: “Het begrip ‘samenleving’ als object van collectieve vorming, sturing en deliberatie verliest zo zijn positieve betekenis. Het krijgt nu een negatieve betekenis: een onoverzienbare verzameling anderen.” Onderling wantrouwen is waar de neoliberale samenleving op drijft, waarmee maakbaarheid plaats moet ruimen voor een behoefte aan veiligheid en controle. Burgerlijke vermogens en engagement worden uitgehold, wat leidt tot een veralgemeende ‘interpassiviteit’: mensen achten zich niet langer zelf in staat “de interactieve vermogens op te kunnen brengen die nodig zijn om te handelen naar publieke normen die men zelf, als geëmancipeerde en mondige burger, onderschrijft.”

Elders voegt het ontwerpbureau ZUS nog een derde fase toe die de jaren 2000 betreft: “Er is sprake van een radicale democratie, waarin iedereeen oneindig participeert. De burger is consument geworden en de publieke ruimte een consumentgerichte verleidingsmachine.” Filosoof René Boomkens, als steeds de heraut van een overspannen postmodern pragmatisme, twijfelt aan de mogelijkheid “om met behulp van ruimtelijke ingrepen sociale politiek te bedrijven” en richt zijn analyse op het gebruik van de publieke ruimte. Daarin spelen vandaag de transnationale dynamiek van de ontruimtelijkte mediaruimte (naar Appadurai) en consumentisme een centrale rol. “Het gebruik van de stad is sinds enkele decennia het werk van een nieuw, hybride subject, de consumentburger wiens politieke en culturele opvattingen en gedragingen nadrukkelijk worden gestempeld door de mondiale technologische reproductie van de populaire verbeelding.” Boomkens besluit zijn politieke fenomenologie van openbaarheid en burgerschap als volgt: “In weerwil van het klassiek-republikeinse vertoog zijn stedelijke plekken geen plekken van verhevigd debat, maar vooral plekken van verhevigd samenleven en samenkomen van verschillen. Die verheviging definieert de ethisch-esthetische kwaliteit van stedelijkheid, die elke vorm van politieke maakbaarheid overstijgt en in zekere zin ook overbodig maakt.”

Waar Boomkens op aanstuurt, wordt duidelijker in de bijdrage van architectuurhistoricus Wouter Vanstiphout, die ingaat op de Bijlmermeer in Amsterdam en de ontwikkeling van het moderne Teheran. Beide zijn voorbeelden van stedenbouw waarin het omvattende plan door intensief gebruik, bewoning en bebouwing werd toegeëigend, daarin bovendien gesteund door neoliberaal geïnspireerde ontwikkelaars. Ook pragmatisme sorteert dus maatschappelijke effecten, maar Vanstiphout is kritischer dan Boomkens: “Doordat deze nieuwe maakbaarheid zich niet meer laat uitdrukken in eenduidige en herkenbare stedenbouwkundige modellen, is het moeilijk geworden haar te bekritiseren. In deze vergaande postmoderne fase van het stedelijk project, waarin maakbaarheid zich hult in een mantel van onmaakbaarheid, en de afwezigheid van het stedenbouwkundige plan de rol van het stedenbouwkundige plan heeft overgenomen, en private ondernemingen steeds meer publieke rollen op zich nemen, verdwijnt de realiteit van de hedendaagse stad steeds verder naar de achtergrond.” En in het licht van deze analyse vraagt Vanstiphout tot besluit: wat willen architectuur en stedenbouw eigenlijk zélf met de maatschappij?

Vijf ontwerpbureaus reageren in een korte bijdrage op de geopperde ideeën omtrent maakbaarheid. De denktank BAVO pleit voor doorgedreven politieke analyse (tegenover een vage ethische reflex) en alternatieve geschiedschrijving van de ‘nieuwe maakbaarheid’ waar Boomkens en Vanstiphout naar verwijzen, teneinde ook het verdoken paternalisme van het neoliberalisme te ontmaskeren. De paradoxen van de nieuwe maakbaarheid komen doorheen Open uitgebreid aan bod, maar wat ongewis blijft is het mensbeeld dat samengaat met de verschillende modellen. Van de filosoof Giorgio Agamben werd de sleuteltekst ‘Voorbij de mensenrechten’ (1993) opgenomen, waarin hij de rechtspolitiek herdenkt vanuit het perspectief van vluchtelingen en illegalen – tegenvoeters van de ‘actieve burger’. Helaas staat die tekst enigszins verloren in het nummer, net zoals elders de volgende, prikkelende rist begrippen te weinig wordt opengeplooid en bevraagd om daadwerkelijk als analyse-instrument te kunnen fungeren: actief burgerschap, burgerconsument, interpassiviteit, bewoners als “co-producenten van grootstedelijk samenleven” (Jeanne van Heeswijk en Dennis Kaspori). Welke mensen zullen vormgeven aan de samenleving van de 21ste eeuw?