Naar een monumentale openbaarheid
Over 'Lof der zichtbaarheid' van Rudi Visker
Rudi Visker, Lof der zichtbaarheid. Een uitleiding in de hedendaagse wijsbegeerte, Amsterdam: SUN, 2007, 344 pp., ISBN 978 90 8506 460 2
Zie ook: ‘Hoe anders kan en mag je zijn in de publieke ruimte?’ (dubbelinterview met Paul Scheffer en Rudi Visker), NRC Handelsblad, 29 maart 2008
“Waarden wegen op mij en de Ander is degene die mij onverwacht dat gewicht laat voelen. Het is niet mijn eigenheid die verandert, maar mijn beleving ervan. Wat niet opviel zolang ik met gelijkgezinden onder dezelfde horizon woonde, valt nu wel op.” (p. 23) De multiculturele samenleving confronteert ons niet enkel met de vreemdheid van de Ander, maar ook met datgene wat vreemd is aan onszelf: ons ‘eigen verschil’, een eigenheid die ons niet onverschillig laat, maar die we evenmin weten te doorgronden. Vanuit die centrale gedachte ging de Leuvense filosoof Rudi Visker in Vreemd gaan en vreemd blijven (2005) in dialoog met hedendaagse denkers als Levinas, Lyotard en Rorty, om nieuwe argumenten aan het debat rond multiculturaliteit toe te voegen. In Lof der zichtbaarheid diept hij een en ander nog verder uit, rond de vraag wat we moeten aanvangen met die eigenheid waar we maar geen blijf mee weten, omdat ze ons ontsnapt en in die zin voor onszelf onzichtbaar is. Lastige kwesties die dus ook onszelf aangaan, en niet zomaar opzij geschoven kunnen worden vanuit een relativistisch denken of een politiek correct ‘zich openstellen voor de Ander.’
Visker schuwt het maatschappelijke debat niet (zijn boek bevat bijvoorbeeld een stuk over het Vlaams Belang), maar toont zich in Lof der zichtbaarheid toch vooral als academisch filosoof. Via een subtiele enscenering van wijsgerige posities maakt Visker alternatieve leestrajecten mogelijk en weet zo ongezegde, ongedachte en lastige vragen aan de orde te stellen. De helft van het boek is een erg technische uiteenzetting met Heidegger en Levinas, veelal een voetnotendebat onder specialisten waarin Visker zijn subjectbegrip aftoetst aan andere denkers. Toegankelijker (en eventueel ook op zich te lezen) zijn de opstellen over Arendt, Habermas, Gehlen en Foucault, waarin Visker zijn centrale denkspoor rond zichtbaarheid en het publieke uittekent.
Om met de last van het eigene te kunnen omgaan, stelt Visker dat er nood is aan zichtbaarheid, en daarvoor ziet hij een specifieke rol voor de publieke ruimte. “Het moet een plaats zijn die ruimte laat om anders te zijn, op zo’n manier dat we daar niet voortdurend over hoeven struikelen. Die opvatting van publieke ruimte maakt het mogelijk dat verschillen voor degene die de drager daarvan is, hem niet voortdurend preoccuperen, dat hij daar niet voortdurend mee zit, zodat er een goede onverschilligheid ten aanzien van zijn eigen verschil ontstaat (...).” (NRC). Niet dat we er tot zelfinzicht en transparantie komen, maar we kunnen onze blinde vlekken in de publieke ruimte symboliseren en daarmee als het ware buiten onszelf plaatsen en draaglijk maken. “Door het [eigen verschil] toe te laten tot de openbaarheid erkent men wat men inhoudelijk niet kan erkennen. Men erkent het verschil dat de Ander plaagt en waaraan hij zijn waardigheid – zijn niet-vervangbaarheid – ontleent.” (p. 29)
Voor de vraag hoe verschillen en dissensus zich leefbaar kunnen uiten in de publieke ruimte, gaat Visker te rade bij Hannah Arendt. In haar strikte onderscheid tussen het sociale (domein van het levensproces dat streeft naar geluk) en het politieke (domein van het handelen dat streeft naar vrijheid) waardeert Visker het ‘anti-expressieve’ karakter van de publieke sfeer: het publieke heeft een eigen productiviteit en brengt niet zomaar naar buiten wat in se al privaat aanwezig is. Ruimte, taal en intersubjectiviteit voegen iets toe dat origineel is en maken daarom een nieuwe vrijheid mogelijk. Anders gezegd: het publieke is méér dan een megafoon die reeds bestaande private opvattingen versterkt, zoals het ‘expressivisme’ meent. Visker kant zich dan ook tegen een expressivisme dat vrijheid loskoppelt van interactie met anderen en het publieke, alsook tegen een liberale opvatting van een ‘neutrale’ publieke ruimte die veel van zelfrelativering verwacht. Wat die relativering in de weg zit is het eigen verschil: “Wie het verschil in de private sfeer wil terugdringen, vergeet dat het daardoor terechtkomt in het private voor de persoon die er de drager van is. Men ontneemt hem of haar de ruimte die het publieke tussen hem en hetgeen hem singulariseert schuift, en laat hem alleen met datgene wat hem beknelt en beangstigt.” (p. 67)
Het publieke creëert afstand en die lijn ontwikkelt Visker ook zijn notie van zichtbaarheid. Het gaat hem niet om het zichtbaar maken van minderheden of achtergestelde groepen, en evenmin om een zichtbaarheid die blijft steken in expressivisme. Om de eigen werkzaamheid van het publieke te kunnen koppelen aan zichtbaarheid, maakt Visker een onderscheid tussen teken en symbool. Tegenover de verwijzende kracht van het teken (cf. expressivisme), geeft het symbool (bijvoorbeeld een monument) vorm aan iets wat zich niet zomaar laat vatten of uitdrukken. Symbolen dragen bij tot ontlasting omdat ze, ongeacht hun inhoud, door een gemeenschap en geschiedenis gedragen worden en het individu in een breder kader opnemen. Viskers openbaarheid heeft een monumentale werking: “ze wil iets gedenken wat men nooit ervaren heeft, ze legt niet een betekenis vast, maar herinnert eraan dat er zaken van betekenis zijn, waarvan de betekenis ons principieel ontsnapt. En ze hoopt dat dat genoeg is.” (p.29)
Nagaan of die publieke ruimte realiseerbaar is, ziet de filosoof Visker niet als zijn taak, hij biedt vooral een gereedschapskist. Soms zou je willen dat Visker zich wat verder in andere vocabularia beweegt, bijvoorbeeld de politieke filosofie of de esthetica, om zijn instrumentarium nog te verfijnen. Voor de toepassing van zijn denken moet je zelf aan de slag of elders te rade, al geeft Visker hier en daar wel aanzetten, zoals in een korte analyse van het hoofddoekendebat. Wat indien we de hoofdoek niet langer als een teken (van verschil, onderdrukking of emancipatie) zouden opvatten, maar als een symbool? In het prikkelende dubbelinterview met Paul Scheffer in NRC ziet Visker daarin de aanzet tot een nieuw ‘ethos’ van de publieke ruimte: “Als overheden vinden dat ze de hoofddoekjes uit de publieke sfeer moeten bannen omdat anders de private onderdrukking wordt voortgezet in de publieke sfeer, kom je er niet uit. Het hoofddoekje is juist een publiek symbool voor datgene waar je privé niet uitkomt. De publieke ruimte zou ontlastend moeten werken. Je wakkert fundamentalisme aan door hoofddoekjes te verbieden, want dan stuur je mensen rechtstreeks terug naar de bron van hun religieuze aangegrepenheid. Daar komen ze op zichzelf niet uit, met als gevolg zelftherapie: men gaat zichzelf en zijn eigenschappen – religie, maar ook ras – als superieur beschouwen aan anderen.”